Als klein kind kwam het geloof heel natuurlijk voor mij. Ik twijfelde nooit aan God. Ik wist gewoon dat Hij er was, en het voelde alsof Hij mijn vriend was.
Toen ik naar school ging, werd het allemaal erg religieus. Veel naar de kerk gaan en mensen die zeiden dat je niet achter het fietsenhok mocht roken. Ik herinner me dat ik dacht: als dit God is, heb ik het misschien helemaal verkeerd begrepen. Dus liet ik het stilletjes vallen.
Toen ik tiener was, overleed mijn peetvader volkomen onverwacht. Hij was als een tweede vader voor me geweest en ik was er kapot van. Ik wilde bidden, maar ik had geen idee hoe.
Dus klom ik in mijn eentje in een boom en sprak het eenvoudigste gebed uit dat ik kon bedenken: God, als U bent zoals ik U als kind kende, wilt U dan weer die vriend zijn? Geen mooie woorden, geen ceremonie.
En dat kleine gebed in de boom is sindsdien de basis van mijn leven geweest.
Het beroemdste verhaal dat Jezus ooit vertelde, gaat over een vader die uitkijkt naar de terugkeer van zijn zoon, die was weggelopen en alles had verkwanseld. Wanneer de jongen eindelijk naar huis terugkeert, rent de vader hem tegemoet. Hij slaat zijn armen om hem heen nog voordat de jongen zijn verontschuldigende praatje kan afmaken.
Ik heb vaker steun gezocht bij dat beeld dan ik kan tellen. God eist niet dat we onze weg terug verdienen.
Het enige wat Hij vraagt, is dat we de deur op een kier zetten; de rest doet Hij. Het maakt niet uit hoe ver we zijn afgedwaald of hoe lang het geleden is. De deur zat nooit op slot.
Wat heb jij – misschien onbewust – opgegeven, in de overtuiging dat je te ver bent afgedwaald om ooit nog terug te keren?




















