“Een mens wordt geen atheïst omdat hij niets ziet om in te geloven, maar omdat hij niets wil zien dat boven hem staat.”
– C.S. Lewis
Deze uitspraak van C.S. Lewis is prikkelend. Sommigen zullen haar te scherp vinden, anderen herkennen er een diepe waarheid in. Lewis wil niet zeggen dat iedere atheïst bewust de waarheid onderdrukt of oneerlijk is. Wel wijst hij op iets fundamenteels in de menselijke natuur: wij verlangen naar vrijheid en autonomie. Het idee dat er een God bestaat aan wie wij uiteindelijk rekenschap verschuldigd zijn, botst met onze natuurlijke neiging om zelf de regie over ons leven te houden.
Veel mensen denken dat geloof vooral een kwestie is van bewijs. “Als God Zich duidelijk zou laten zien, zou ik geloven.” Toch is de vraag of het probleem werkelijk een gebrek aan bewijs is. De wereld om ons heen zit vol aanwijzingen die wijzen op een Ontwerper. De verfijnde afstemming van de natuurwetten, de complexiteit van DNA, het bestaan van objectieve morele waarden en het universele verlangen naar betekenis zijn voor veel mensen sterke aanwijzingen dat het universum niet zomaar uit toeval is ontstaan.
Maar bewijs alleen verandert een mens niet. Ook in de Bijbel zien we dat mensen wonderen zagen en toch niet wilden geloven. Het probleem lag niet bij het bewijs, maar bij hun hart. Zij wilden niet buigen voor Degene die gezag over hun leven had.
Dat is precies de kern van Lewis’ uitspraak. Als God werkelijk bestaat, dan is Hij niet slechts een interessante theorie. Dan is Hij onze Schepper. Dat betekent dat Hij het recht heeft om te bepalen wat goed en kwaad is en hoe wij behoren te leven. Voor veel mensen is dat een ongemakkelijke gedachte. Een God die ons inspireert is welkom, maar een God die ook gezag heeft, is veel moeilijker te accepteren.
Toch is dat gezag geen bedreiging, maar juist een bevrijding. De God van de Bijbel is geen tiran die mensen klein wil houden. Hij is een liefdevolle Vader die Zijn schepselen kent en weet wat goed voor hen is. Zijn geboden zijn geen willekeurige regels, maar aanwijzingen voor een leven zoals het bedoeld is.
Het christelijk geloof draait daarom uiteindelijk niet alleen om intellectuele overtuiging, maar ook om overgave. De vraag is niet alleen: “Bestaat God?” De diepere vraag is: “Ben ik bereid Hem te erkennen als Heer van mijn leven?”
C.S. Lewis wist waarover hij sprak. Zelf was hij jarenlang overtuigd atheïst voordat hij tot geloof kwam. Juist daarom begreep hij dat ongeloof vaak meer is dan een intellectuele conclusie. Het raakt ook onze wil en ons verlangen om onafhankelijk te zijn.
Misschien is dat wel de meest eerlijke vraag die ieder mens zichzelf kan stellen. Als God werkelijk bestaat, zou ik Hem dan willen volgen? Of houd ik liever zelf de controle?
Wie die vraag eerlijk onder ogen ziet, ontdekt misschien dat de grootste hindernis voor geloof niet altijd een gebrek aan bewijs is, maar de moeite om onze eigen troon op te geven. En juist daar begint het evangelie. God vraagt ons niet eerst perfect te worden, maar nodigt ons uit om in vertrouwen naar Jezus Christus te komen. Niet om onze vrijheid af te nemen, maar om ons de vrijheid te geven waarvoor wij geschapen zijn.
zie ook Waarom C.S. Lewis het christendom met de opgaande zon vergeleek




















