Ik vraag u het hoofd te buigen in gebed. Laat ieder hoofd gebogen en alle ogen in gebed gesloten zijn. Ik verzoek iedereen een eerbiedige en biddende houding aan te nemen. Er zijn hier vanavond honderden mensen met lasten waarvan zij bevrijd moeten worden, met problemen die om oplossing vragen, en met schuld die moet verdwijnen.
U bent op zoek naar levensvoldoening, naar iets dat doel en betekenis aan uw leven geeft. Velen van u hebben het moeilijk omdat zij op verschillende manieren vastgeraakt zijn – in een huwelijksprobleem, het probleem van hun loopbaan, het probleem van een studie, het probleem van hun militaire dienstplicht. Het zijn stuk voor stuk vraagstukken waarmee jonge mensen te maken hebben. Vanavond wil ik u vertellen, dat u vrede en blijdschap en een gevoel van levensvervulling kunt ontvangen wanneer u uw leven overgeeft aan Christus. En ik verzoek u rustig en met eerbied te luisteren, en niet van uw plaats te gaan en niet te fluisteren.
Onze Vader en onze God, wij bidden U dat uw Heilige Geest tot U mag trekken allen, wier harten Gij voor dit uur hebt toebereid. Wij vragen het in Christus’ naam. Amen.
Nu verzoek ik u met mij te letten op de tweede brief aan Timotheus, hoofdstuk 3. Daarin wordt gesproken over de laatste dagen. Wij treffen deze aanduiding meermalen in de Bijbel aan, vooral in het Nieuwe Testament. Ook in het onderwijs van Jezus. Hij heeft over de laatste dagen gesproken en ons een aantal tekenen genoemd, die in het laatst der dagen zichtbaar zouden worden. En wat betekent nu dat laatst der dagen? Het betekent, dat naarmate wij het eind van de geschiedenis, zoals wij die kennen, naderen – niet het einde van de wereld of het einde van de aarde, maar het eind van een stadium in de historie, dat wij thans beleven, het tijdperk van de werking van Gods Geest, de tijd van de genade – dus naarmate wij dat einde naderen, er zekere tekenen zijn waar te nemen; en een van die tekenen zal zijn: algemene losbandigheid, overal in de wereld misdaad, algemene rebellie, vooral van de kant van de jongeren. Vele mensen zijn verontrust door wat er gedurende de laatste weken in de Verenigde Staten aan de universiteiten gebeurd is. Dat is niet tot de Verenigde Staten beperkt gebleven. Bij het bezoek van gouverneur Rockefeller aan Latijns Amerika is gebleken, dat het overal in Latijns Amerika net zo is. Tsjechoslowaakse studenten hebben heel de vorige zomer betogingen gehouden, om vrijheid te verkrijgen van de verdrukking die zij ondergaan. Waar ter wereld je ook komt, jonge mensen marcheren en demonstreren er; zij springen uit de band en maken oproer. Menigeen stelt de vraag: Waarom? Wat is er toch gebeurd?
The New York Times berichtte vanmorgen, dat John Kenneth Galbraith het volgende heeft gezegd: “Ik ben aangegrepen door de somberheid die tegenwoordig door de universitaire gemeenschappen rondwaart. Velen zijn van mening dat Harvard op de rand staat. Nog één duwtje en de hele universiteit valt in de Charles River.” Onlangs heeft een meisje van eenentwintig jaar op college haar klachten neergeschreven, en deze zijn gepubliceerd. De klachten weerspiegelen, dunkt mij, de opvattingen van hen die nu jong zijn. Hoor maar. Vergeet niet dat zij eenentwintig is, en aan de academie. Zij schreef: “Op ons negentiende jaar zijn wij klaar voor de dood. Wij brengen onze jeugd door met tegen de banden van het beschermende gedoe, dat ons versmoort en verdrukt, aan te schuren. Wij slaan doldriftig als kleine kinderen van ons af. Onze wapens zijn het spuwen op onze ouders en het geuren met onze ongeoorloofde seksuele verhoudingen. Het verzet dat tegenwoordig in de jeugd woedt,” zo ging zij verder, “heeft geen grond. De jongeren zijn in Opstand en weten niet waartegen. Zij zoeken naar iets, maar kunnen niet zeggen wat het is. Wij zien hoe onze vaders en moeders zich achterbaks gedragen en zich verlagen; zij houden zelf geen rekening met de waarden die zij ons als heilig voorhouden – als zij nog de moeite nemen dat te doen. Wat kunnen wij anders dan die huichelarij zo sterk mogelijk afwijzen? Wij zijn de hoop van de wereld, maar wij hebben geen hoop. De enige hoop die ons overblijft, is dat wij hopen op onszelf. En wie zijn wij? Wij komen er niet achter.”
John Kennedy heeft kort voor zijn dood in een toespraak dit gezegd: “Het is het lot van onze generatie, dat wij moeten leven met een strijd die wij niet begonnen zijn, in een wereld die wij niet zo gemaakt hebben. De spanningen van het leven zijn niet altijd verdeeld zoals wij het verkiezen.” Opstand en onrust doen zich overal aan de universiteiten geIden. Heel de voortgang van het hoger onderwijs loopt nu gevaar. Deze zomer hebben driehonderdvijftig colleges en universiteiten een president nodig, en duizend colleges en universiteiten zoeken van de zomer voorzitters voor de faculteiten. Senator McCarthy heeft gezegd: “Het is moeilijker president van een universiteit te zijn dan president van de Verenigde Staten.” Hij zei ook nog, dat toen hij jong was, de jongens achter de meisjes aan zaten, en dat nu de meisjes achter de presidenten van de colleges aan zitten. Ik hoorde van een jongeman die aan zijn ouders schreef, dat hij het komende jaar niet zijn gewone toelage wilde ontvangen. Hij wilde “gevechtsloon”. Er worden veel vragen gesteld. Wat is er mis? Waar zijn wij te kort geschoten? Wie zijn de oproerlingen? Wat willen zij? Waar leidt het heen? Ik hoop wel, dat u niet uit het oog verliest dat maar een betrekkelijk kleine minderheid van de zeven miljoen studenten aan universiteit of college in Amerika oproerig is. 135.000 worden beschouwd als radicaal, 500.000 sympathiseren met hen, maar miljoenen geven zich niet bloot. Zij hebben nog niet gekozen welke vlag zij zullen volgen. Zij hebben nog niet gekozen welk geloof zij zullen aanhangen. Velen van hen voelen zich ongelukkig; zij staan verlegen; zij zijn teleurgesteld. Duizenden van hen zijn verslaafd aan seks en verdovende middelen en drank. U moet weten dat de jeugd van deze tijd de eerste generatie is, die opgroeit met moderne mensen als ouders. Het is het eerste geslacht van de moderne tijd; deze jonge mensen werden zich van de wereld bewust toen het straalvliegtuig al bestond, evenals de atoombom, het televisietoestel, de computer, de pil, de ruimtecapsule, en inenting tegen een van de grote vijanden van jonge mensen: de kinderverlamming. Zij bespeurden de handel in LSD en marihuana op de hoek van de straat. Zij letten op een samenleving van volwassenen, waarin het drinken een statussymbool voor de buitenwijken geworden was en schuine moppen de toon aangaven in gemengde gezelschappen. Bovenal hebben zij een leven aangetroffen, waarin de natuurwetenschap verondersteld werd al het andere te overtreffen. Zo is deze generatie van jonge mensen opgegroeid met overvloed, technologie, snelle verandering van de maatschappij, en geweld. Daarbij zijn zij van kind af door de televisie gebombardeerd met reclame voor denkbeeldige behoeften, die zó sterk zijn dat men niet meer kan afwachten. Zij willen de dingen hebben die zij op de televisie zien, en zij willen ze nu hebben. Ook zijn zij opgegroeid onder een opvoedingsstelsel, waarvan een deel uit de stad New York afkomstig is, een pedagogisch experiment uit het begin van onze eeuw. Deze nieuwe vorm van opvoeding leerde dat de waarheid iets is, dat elk mens voor zichzelf moet ontdekken. De waarheid is niet buiten ons, maar behoort bij onze persoon; zij is niet objectief maar subjectief. Alles is betrekkelijk. Is het voor mij waar? Is het voor u waar? – zo vraagt men. De uitspraak van jezus, “Ik ben de weg, de waarheid en het leven,” verwerpt men. Ook worden zijn woorden, “U zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken,” ontkend, omdat er geen volstrekte waarheid is – zoals men zegt.
En zo was de theorie van een groot deel van de moderne opvoeding, dat men leerlingen tot een ervaring moet brengen, waaraan zij voor zich zekere juiste stellingen kunnen ontlenen. Dit heeft geleid tot wat nu de alles veroorlovende samenleving is. En u behoeft maar over Times Square te lopen, of de campus van een universiteit op te gaan, om de blijken ervan te zien, waar deze meegaandheid ons heeft doen belanden. Weet u, de kloof tussen de generaties is op deze manier begonnen. De oude waarden van het vroegere geslacht berustten op de joods-christelijke leefregels, de tien geboden en de bergrede; het jonge geslacht hield zich er tamelijk goed aan zolang zij naar de lagere school gingen. Op de middelbare school begonnen zij twijfel te koesteren, en op de leeftijd dat zij naar college gingen, waren zij helemaal veranderd. Als een jongen zijn diploma haalt, is het generatieverschil tussen zijn ouders en hem nagenoeg volstrekt, zowel in wat zij geloven als in dat, waaraan zij zich binden.
Wie zijn nu deze mensen? In de eerste plaats is er de harde kern van radicalen, die over de “beweging” en de “revolutie” praten. Een kleine minderheid. In de tweede plaats is er de idealistische generatie van het “hiernumaals” – zij wil thans de maatschappij hervormen, maar zij weet niet hoe. Zij is van mening dat Amerika ziek is, en zij leeft in onrust vanwege de armoede, de rassenhaat en de oorlog. Ten derde is er een groep die, zoals zij zegt, alleen om herrie te schoppen op rebellie uit is. Sommigen er van zijn mislukkelingen op school, en zij willen hun falen wegpraten door aanvallen op het systeem. Zij erkennen zelf geen schuld; niemand geeft zichzelf meer van
iets de schuld. Het stelsel deugt niet. Iemand in het stadhuis heeft het mis. Iemand in Washington is fout. Ik kan onmogelijk een fout maken. Wij verwijten onszelf niets. Ten vierde is er nog de groep van hen die zich zonder meer vervelen – zij hebben te veel vrije tijd, te veel geld, en kennen de strijd om het bestaan niet. Zij hebben de neiging om de maatschappij van alles de schuld te geven. De bijbel zegt dat zodra je de verantwoordelijke leeftijd bereikt, zeg met je tiende of twaalfde jaar, je ook de verantwoordelijkheid op je zult nemen. Wij zijn verantwoordelijk. Natuurlijk, de maatschappij draagt de verantwoordelijkheid voor veel van de vreselijke sociale misstanden, maar de bijbel zegt dat je verantwoordelijk bent voor je verhouding tot God en je persoonlijke verhouding met je medemens. Het is een feit, dat verscheidene bijbelboeken geschreven zijn in de gevangenis. je spreekt over discriminatie. Als iemand discriminerend behandeld is, was dat Paulus. Overal waar hij heen ging, werd hij aangevallen. Het liep uit op de gevangenis, maar hij schreef aan de mensen in Filippi: Blijdschap, blijdschap, blijdschap. Ik heb niets anders dan blijdschap ondervonden in mijn leven met Christus. je kunt in een rijkeluisbuurt wonen en gelukkig zijn. Je kunt ook in een getto wonen en gelukkig zijn met Christus in je hart. Het is mogelijk in de gevangenis of in een zenuwinrichting te zitten, en vrede en geluk te vinden doordat Christus in je hart leeft. Verder hebben heel wat jonge mensen schoon genoeg van bevoogding – zij worden als kleine kinderen behandeld, en zij willen deelnemen aan de besluitvorming in de universiteit. Zij verzetten zich tegen alle vaste regels of eisen, zelfs voor het eerste examen. Zij willen die examens niet doen. Zij willen niet gedisciplineerd studeren, en daarom komen zij soms in opstand. Ook hebben zij schoon genoeg van schijnheiligheid. Hun ouders zijn namelijk voorstanders van oprechtheid en onkreukbaarheid en harde arbeid, maar zij kunnen hun ouders niet als eerlijk zien. Zij zien geen onkreukbaarheid bij hun ouders. Zij zien hun ouders niet echt hard werken; vandaar hun verkeerde kijk op wat waardevol is. Zij zien de schijnheiligheid. Dan hebben zij schoon genoeg van het onderwijs aan de universiteit, op het college en op de middelbare school, omdat het zo weinig ter zake is; een tegenzin die tegenwoordig nogal ver strekt. Wij hebben de fout gemaakt, dat wij jonge mensen leerden hoe zij een positie konden verwerven – en meer niet. En het is ook mooi, te leren hoe je aan de kost kunt komen – maar het leven is meer dan je brood verdienen, en een nieuwe auto, en een nieuwe televisie. Jezus zei: “De mens kan van brood alleen niet leven.” Jezus heeft ook gezegd: “Als iemand overvloed heeft, behoort zijn leven niet tot zijn bezit.” De mens is een soort van drieëenheid. Hij heeft een verstand dat onderwezen moet worden, hij heeft een lichaam dat voedsel en soms medicijnen nodig heeft, maar zijn geest heeft behoefte aan God. Hij heeft een geloof nodig; hij verlangt naar een zaak waaraan hij zich verbinden kan. Geen wonder dat een student laatst voor duizenden mensen zijn diploma verscheurde en uitriep: “Mijn opleiding aan deze universiteit heeft geen enkele zin voor mij gehad!” Hij had geleerd iets te doen voor zijn levensonderhoud, maar hij had niet geleerd te leven. Hij had het echte leven niet geleerd; hij had niet geleerd hoe hij de problemen en de bezwaren van het leven onder de ogen kon zien, en hij had zeker niet geleerd hoe hij zou kunnen sterven.
Hier heeft de goede boodschap van Christus ons iets te zeggen. Hij vergeeft de zonde en de mislukkingen uit het verleden. Hij geeft je nieuwe kracht in het heden, en Hij schenkt je vertrouwen, een gevoel van veiligheid, verzekerdheid voor de toekomst. N u komt bij dit alles evenwel iets anders. Het menselijk geslacht verzet zich van nature. Wij zijn allen oproerlingen. Adam en Eva stonden in de hof van Eden tegen God op. Kaïn rebelleerde tegen wat God hem geleerd had en tegen wat zijn ouders hem geleerd hadden, en hij sloeg zijn broer dood. De toren van Babel, waarover je in de bijbel leest, was niets anders dan rebellie. Lot wilde anders dan Abraham. Ezau was een vijand van God. Hij verkwanselde zijn eerstgeboorterecht voor een schotel linzensoep. Alleen al in het boek Jozua lezen wij zevenmaal dat het volk in opstand kwam, en dan riepen zij in de vuurgloed van Gods oordeel om een verlosser. De bijbel zegt ook, dat Absalom oproer verwekte tegen David. Jozua I: 18 luidt: “leder die uw bevel weerstreeft en niet hoort naar uw woorden, wat u hem ook bevelen zult, zal ter dood gebracht worden.” Zo antwoordde Israël op het bevel van zijn nieuwe aanvoerder jozua. Job zei: “Anderen behoren tot de vijanden van het licht, zij kennen zijn wegen niet en blijven niet op zijn paden.”
Jesaja, de grote profeet van Israël, sprak over het oordeel van God (I: 2) : “Ik heb kinderen grootgebracht en opgevoed, maar zij zijn van Mij afvallig geworden.”
U ziet, dat telkens in de bijbel de mens in opstand is. Hij wordt ons afgeschilderd als rebellerend tegen God. Onze aard is die van rebellen; geef ons maar even de kans en wij slaan om ons heen; wij zullen terugvechten tegen alles wat ons omringt, precies zoals een slang doet – omdat wij opstandelingen zijn. De bijbel zegt dat wij allen gerebelleerd hebben en afgesneden zijn van de majesteit van God; want rebellie is een van de omschrijvingen van zonde. Zo is de duivel ontstaan. Een stralende engel, de morgenster, zoon van de dageraad, is in het donkere verleden van God afgevallen. Wij weten er niet veel van, maar zo is het allemaal begonnen, en de afvallige is de overweldiger van de volken geworden, Jesaja 14: 12. Niet alleen het eerste mensenpaar in de hof van Eden is tegen God opgestaan, maar door hun val is ieder van ons hier een opstandeling. Wij willen niet, dat iemand ons zegt wat wij doen moeten. Wij willen niet, dat God ons zegt hoe wij behoren te leven. Wij willen niet, dat God de weg naar de hemel bepaalt. Wij willen een andere weg gaan. “Soms schijnt een weg iemand recht, maar het einde daarvan voert naar de dood.” De bijbel zegt dat het pad naar de hemel langs een smalle weg en door een enge poort leidt, en wij willen niet graag eng zijn. Wij beschouwen onszelf als ruim van opvatting en verdraagzaam – behalve dan in de natuurwetenschap. Stel dat onze mannen die in juli met de Apollo 11 naar de maan reizen, onderweg meedelen: Wij zijn uit de koersl En stel dat dan beneden in het controlestation ruim denkende en verdraagzame mannen zijn die zeggen: O, dat is best. Vele wegen voeren naar de maan. Blijf maar op de weg waar je bent. Elke koers leidt naar de maan.
Toch spreken veel mensen zo over de weg naar de hemel: Elke weg zal je daar brengen. Jezus zei dat er maar één weg is; er is maar één pad daarheen. Hij heeft gezegd: “Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij.” Er zijn hier vanavond in Madison Square Garden duizenden jonge mensen, die op zoek zijn naar een doel en naar de betekenis van hun leven. Twee jaar geleden hoorde ik dat een student aan Columbia University gezegd had: “Amerika is zijn ziel kwijt en wij zijn van plan die terug te brengen.” Op het ogenblik is de grote vraag aan de universiteiten: Wat is de bedoeling en de betekenis van mijn bestaan?
Nietzsche heeft eens gezegd: “Als iemand een “waarom” voor zijn leven heeft, kan hij zich neerleggen bij haast ieder ,hoe’.” Albert Camus zei: “De mens kan niet leven zonder doel,” en hij had gelijk. Velen van onze moderne filosofen, Marcuse en verscheidene anderen, spreken over de laatste beslissende situaties, waarvoor wij in ons leven komen te staan, zonder dat wij er iets aan kunnen veranderen. Ik moet sterven. ledereen zal sterven. Ik moet het feit in de ogen zien. Ik heb leed te verduren. leder lijdt. Geestelijk, zedelijk, lichamelijk – tenslotte lijdt iedereen. Hoe onderga ik het lijden? Ik heb een strijd te voeren. Ik ben erbij betrokken en aan het toeval overgeleverd. Ik heb een schuldgevoel. Wie ben ik? Dit zijn vragen die jonge mensen overal stellen. En u die tegenwoordig aan de universiteit bent – ik wil u een vraag stellen. Hoeveel beoefenaars van de natuurwetenschap aan uw universiteit beschouwen de dood als een probleem dat wetenschappelijk bestudeerd moet worden? Hoeveel universiteiten bemoeien zich met onderwerpen als de dood, het lijden, het lot, de zonde, het toekomstige leven? Het moderne onderwijs heeft de neiging al deze diepgaande vragen van de kant van de studenten te vermijden en te onderdrukken. De bijbel evenwel spreekt over deze dingen. De Bijbel spreekt met gezag over de zonde. De bijbel spreekt met gezag over het leven na dit leven. De bijbel spreekt met gezag over de levensvragen: vanwaar u bent en waarom u hier bent en waar u heen gaat.
Er is het probleem van God. Tolstoj heeft een keer gezegd dat elk van ons verlegen zit met een leemte in zijn leven, die de vorm van God aanneemt. Ja, er is een God. Niet alleen ergens ver weg, maar hier. God is overal. Hij is een persoonlijk God in ieder oord van het heelal. Hij is een Geest. Hij heeft geen lichaam zoals u en ik, want Hij is geest. Hij kan tegelijkertijd op Mars en op de aarde zijn. Wanneer Hij een lichaam had zoals wij, kon Hij maar óf op de ene óf op de andere plaats zijn. God is van eeuwigheid tot eeuwigheid. Deze week heb ik Walter Cronkite gesproken, en ons gesprek kwam op de ruimtevaart. Wist u, dat veel natuuronderzoekers denken dat aan het einde van deze eeuw, als de mensheid het nog zo lang uithoudt, men in staat zal zijn de lichtbarriere te doorbreken, net zoals wij de geluidsbarriere doorbroken hebben? Dan zal de mens dus met de snelheid van het licht kunnen reizen. Wanneer de mens zich zal voortbewegen met de snelheid van het licht, en hij gaat naar de ster die het dichtst bij is – denk het u goed in – er zijn miljarden en miljarden sterren – maar als wij niet verder gingen dan de ster die het dichtst bij ons is, weet u hoelang de astronauten erover zouden doen om daar zo snel als het licht te komen? Vijf jaar heen, vijf jaar terug, en dan zo snel als het licht. En nu is dit interessant: als zij in de ruimtecapsule gaan en opstijgen van Cape Kennedy, en later terugkeren, bent u intussen tien jaar ouder geworden. U en ik zullen tien jaar ouder zijn, maar die ruimtevaarders zullen niet meer dan tien dagen ouder zijn. En waarom? Omdat zij bij het doorbreken van de lichtbarriere het punt bereiken, waar de tijd haast ophoudt te bestaan. Er is in de ruimte geen tijd. Geen gisteren, geen morgen, en in 1969 was de natuurwetenschap ervoor nodig om iets te ontdekken, dat de bijbel al eeuwenlang geleerd heeft. God is van eeuwigheid tot eeuwigheid. Er is in God geen toekomst; er is in God geen verleden; bij God is alles eeuwig heden. “Eén dag bij de Heer is als duizend jaar en duizend jaar als één dag.” O ja, God is er. Gelooft u dat? Het is de eerste stap, dat u Hem gelooft.
Het tweede probleem is het probleem van de mens. Een van onze beroemde schrijvers heeft beweerd dat geen enkel ding in het leven zin heeft. Eugene O’Neill heeft gezegd: “De enige zin van het leven is de dood.” En weet u, ik merk overal dat studenten het gevoel hebben, dat zij ponskaarten zijn. Zij zijn niet meer dan nummers. Dit is een van de grote vraagstukken van ons huidige onderwijsstelsel. Er is geen persoonlijke verhouding en wisselwerking tussen studenten en hun faculteit. Zij zijn louter nummers geworden. En vele studenten leven in een staat van geestelijk nihilisme. Nihilisme wil zeggen: geen enkel geloof – geen zedelijke norm, geen doel, niets dat betekenis heeft – en zo zijn er in deze tijd velen. De Bijbel daarentegen leert, dat God een bedoeling heeft met de mensheid. God heeft ons naar zijn beeld gemaakt, en u bent persoonlijk van belang voor God. De bijbel zegt dat God de haren van uw hoofd alle geteld heeft. De bijbel zegt dat God over u waakt vanaf het ogenblik van uw ontvangenis, in de moederschoot; Hij heeft het ogenblik van uw geboorte bewaakt; er is in uw leven géén ogenblik waarop God u niet in het oog houdt. Hij let ook op het tijdstip van uw dood. Alles onthoudt Hij, en wij zullen er rekenschap van moeten afleggen. Hij kent alle zedelijke beslissingen waarvoor je staat, elke keus die je hebt. Bijvoorbeeld, als je onzedelijk handelt, als je de waarheid niet spreekt – Hij weet wat je had kunnen verkiezen. Je had de waarheid kunnen zeggen. Er was een uitweg uit die onzedelijkheid, evenals Jozef zich niet inliet met de vrouw van Potifar, maar je sloeg die weg niet in. Alles is vastgelegd in Gods computers, zodat tijdens het oordeel niemand zeggen zal: “God, U bent onrechtvaardig.” Hij kent alle factoren die medebepalend waren voor je leven, en het zal alles naar de juiste waarde berekend en gewogen worden; je zult nooit kunnen zeggen: God, U bent niet rechtvaardig geweest.
Een volgend probleem is dat van het menselijk onrecht. Wat is de oorzaak van hebzucht en wellust en vooroordeel en oorlog? Wij worstelen in de Verenigde Staten met het rassenprobleem. Wij worstelen met het probleem van de misdaad. Wij worstelen met het oorlogsprobleem. Wij worstelen met het probleem van de armoede. Vanwaar dit alles? De Heilige Schrift luidt in 2 Thessalonicenzen 2 : 7: “Nu al is de wetteloosheid in het geheim aan het werk.” Dat is iets geheimzinnigs. Het is een geest. Vergeet nooit dat er een boze geest bezig is in onze wereld. God is er, maar de verdorven geest – de duivel – is er ook. Je kunt hem noemen zoals je wilt. Er is een boze macht in deze wereld, en je kunt al het kwaad dat tegenwoordig in onze wereld gaande is niet verklaren, tenzij je aanneemt dat daarachter een bovennatuurlijke macht werkt, die duivel heet, waarvoor jezus telkens gewaarschuwd heeft. Ja, de bijbel zegt dat het uit ons hart opkomt. “Want uit het hart komen slechte gedachten, moordplannen, echtbreuk, ontucht, diefstal, leugens en godslastering,” heeft Jezus gezegd. De Beatle John Lennon heeft laatst in Canada een heel interessante opmerking gemaakt, zo stond in de pers. Hij moet gezegd hebben: “Als zonde betekent dat je je doel mist, ben ik een zondaar.” John Lennon heeft gelijk. Hij is een zondaar. Ik ben een zondaar. Jij bent een zondaar – want zonde is, dat je niet voldoet aan Gods maatstaf en aan wat God van ons eist. Wij hebben gemist; wij zijn te kort geschoten; wij hebben verzoening nodig.
Aangezien wij behoefte hebben aan vergeving, is Christus gekomen om aan het kruis te sterven.
Ook is er het probleem van de schuld, waarmee veel jonge mensen het moeilijk hebben. In het blad Time stond, dat een meisje in Radcliffe heeft gezegd: “Ik voel mij altijd schuldig.” Waar komt dat gevoel vandaan? Is er toch een algemene zedenwet? De psychologie heeft het centrale feit van de schuld erkend. God zegt: “Ik heb mijn wet in uw hart geschreven.” Een van de grootste zielkundigen in ons land werd onlangs aangehaald – ik heb helemaal geen gelegenheid gehad die aanhaling te controleren, maar ik geef het aan u door – en hij zei dat 95 procent van de krankzinnigheid in dit land hieraan te wijten is, dat het slachtoffer van geestesziekte in een beslissend stadium van zijn leven de vergeving van zijn zonden geweigerd heeft. ledereen heeft vergeving nodig. Wij weten allen dat wij in gebreke zijn, maar weet u ook dat u vergeving ontvangen hebt? Om die te geven is Christus verschenen. Daarvoor is Hij aan het kruis gestorven.
Goethe, de grote Duitse denker en dichter, heeft eens de uitspraak gedaan: “Wanneer ik God was, zou deze wereld van zonde en leed mij het hart breken.” Nu, ik zal u zeggen dat deze wereld God het hart gebroken heeft. Vandaar de dood van Christus aan het kruis. Daarom liet Hij zijn bloed vergieten: God heeft uw zonden, en mijn zonden, genomen en ze op Christus gelegd. “Hem die geen zonde gekend heeft, heeft God voor ons tot zonde gemaakt.” U kunt vergeving krijgen. Uw zonden kunnen worden uitgewist. Verder staat u voor het probleem van het lijden, en u kunt met de apostel zeggen: “Onze kwelling is licht en duurt maar kort, en zij zinkt in het niet bij wat zij ons bezorgt: een altijd durend, volledig geluk.” U kunt het probleem van de dood onder ogen zien. De bijbel zegt: “Er is een tijd om te baren en een tijd om te sterven.” Paulus schrijft: “Het leven is voor mij alleen maar: Christus; maar het sterven is dat nog veel meer! . . . Ik heb mij moedig gedragen in de wedloop, en nu ben ik aan de eindstreep gekomen, en het geloof heb ik door alles heen vastgehouden.” Wilhelm Stekel zei: “Elke angst die wij hebben, is tenslotte de angst voor de dood.” De bijbel leert, dat God de mens niet voor de dood heeft geschapen. Wij lezen in de Heilige Schrift van onze Heiland Jezus Christus, “die de dood van zijn kracht heeft beroofd en onvergankelijk leven aan het licht gebracht heeft door het evangelie.” Het christelijk geloof is een opstandingsgeloof. De angst voor de dood is verdreven zodra u uw leven overgeeft aan Christus.
O ja, er zal nog wel onrust zijn. Het onbekende veroorzaakt altijd spanning; maar wanneer u Christus aanneemt, is de prikkel van de dood verdwenen. U kunt uw leven bezien met een helder oog, met veerkracht in uw tred en met een glimlach op uw gezicht, omdat uw verleden vergeven is. U weet dat u hier leeft, geschapen naar Gods beeld om Hem te verheerlijken. U weet waar u heen gaat. U zult voor eeuwig bij Christus zijn. U kunt zeggen: Dood, waar is uw prikkel? Ik verzoek u die vlag te volgen. Dát vraag ik u te geloven. Ik vraag u daaraan uw leven te verbinden. Wij hebben vanavond hier die verbazingwekkende mannen en vrouwen van het Leger des Heils gezien, en wij achten het een eer, dat generaal Coutts bij ons is. Deze mensen zijn strijders voor een goede zaak; zij houden in de ene hand een beker koud water – dat is maatschappelijke activiteit van de eerste rang. Zij gaan er werkelijk op uit om mensen in nood te helpen – en aan de andere kant dragen zij ook de liefde van Christus. Zij dragen de blijde boodschap van de Heer Jezus Christus mee. Op dit zelfde ogenblik heeft Amerika, heeft de wereld jonge mensen nodig, die willen optrekken onder het vaandel van Jezus Christus. Je zult je niet voor Hem mogen schamen. Je zult te allen tijde openlijk voor Hem uitkomen. Je bent dan bereid je te laten uitlachen en lastig vallen. Je hebt het ervoor over, dat je kennissen de spot met je drijven en je een “stijve hark” of zo iets noemen. Vanavond ben je bereid, je leven aan Hem toe te vertrouwen, Hem te volgen en te dienen, en je te laten werven voor zijn leger, en te zeggen: Ik wil naar huis gaan met liefde in mijn hart. Ik wil heengaan en het mijne eraan doen, dat de wereld veranderd wordt door veranderde mensen. Ik ben bereid Christus te volgen en Christus te dienen, wat het mij ook kost. En het zál u iets kosten, want laat mij u dit vertellen: het is niet gemakkelijk een christen te zijn. Het is niet gemakkelijk Christus te volgen. Het is in de wereld waarin wij leven, met haar materialistische druk, secularistische druk, zinnelijke druk, niet gemakkelijk om rein en zuiver voor God te leven; maar u kunt het met de hulp van Christus.
En nu vraag ik u Hem aan te nemen. U zegt: Wat moet ik dan doen? Allereerst moet u berouw hebben over uw zonde. Dit houdt in, dat u bereid bent zich af te wenden van uw zonde; het houdt in, dat u bereid bent te erkennen dat u gezondigd hebt. Wilt u dat doen? Dat is berouw. Ten tweede neemt u in het geloof Jezus Christus aan als uw Heer, uw Meester en uw Redder. “Want indien u met uw mond belijdt dat Jezus Heer is, en met uw hart gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult u behouden worden.” Ik vraag u het openlijk te doen. Waarom openlijk? Jezus heeft gezegd: “leder dan die Mij belijden zal voor de mensen, zal ook Ik belijden voor mijn Vader die in de hemelen is.” Er gaat iets van uit als je dat in het openbaar doet. Het zet zich vast in je hart. Wie getrouwd is, is getrouwd in het bijzijn van getuigen. Wanneer u tot Christus gaat, komt u openlijk. U kiest partij voor Hem. Misschien bent u lid van een kerk; misschien bent u geen lid van een kerk. Mogelijk bent u rooms-katholiek of protestant, of jood of mohammedaan, of u hebt helemaal geen religie. Maar u wilt vanavond komen en uw leven aan Christus overgeven, Hem als uw Verlosser aanvaarden, en op Hem vertrouwen. Ik vraag u te komen. Ik vraag u op te staan van uw plaats, overal in dit grote gebouw, en hierheen te komen en voor het podium te gaan staan, rustig en eerbiedig.