buitenbijbelse bronnen

0
240

ook in andere oude geschiedkundige documenten wordt de naam Jezus genoemd. Wat hebben ze over Jezus te melden? klopt het met wat de Bijbel ons over Hem leert?

Romeinse geschriften: Tacitus

In de tijd van Jezus was Israël onderdeel van het Romeinse rijk. De Romeinse geschiedschrijver Tacitus schrijft in 115 na Christus het volgende:

En zo liet Nero schuldigen aanwijzen die hij de meest geraffineerde folteringen liet ondergaan. Dit waren de mensen die verfoeid werden om hun wandaden en door het volk ‘christenen’ genoemd werden. De benaming is ontleend aan Christus, die tijdens de regering van Tiberius door een van onze procurators, Pontius Pilatus, met de doodstraf was bestraft. En ook al was dit verderfelijke bijgeloof voor een ogenblik onderdrukt, toch stak het opnieuw de kop op, niet alleen in Judea, bakermat van dit kwaad, maar ook in Rome zelf […]
Men begon alzo met gevangen te nemen degenen die openlijk belijdenis van hun geloof aflegden; vervolgens op hun aanwijzing een zeer groot aantal mensen die schuldig werden verklaard, niet zozeer aan de hun ten laste gelegde brandstichting, dan wel aan haat jegens de mensheid.

Dit is waarschijnlijk de belangrijkste verwijzing naar Jezus, buiten het Nieuwe Testament. In het gedeelte vermeldt Tacitus dat Nero de christenen vervolgde als zondebokken om de verdenking van zichzelf af te leiden voor de grote brand die Rome in 64 na Christus verwoestte. Hij noemt Jezus expliciet en vermeldt dat deze gekruisigd werd onder Pontius Pilatus (dit klopt met de bijbelse gegevens). Ook zegt hij dat ‘dit verderfelijke bijgeloof voor een ogenblik onderdrukt werd, maar dat het later toch weer de kop opstak’ (ook dit klopt met de bijbelse gegevens: na de dood van Jezus was het tijdelijk de kop ingedrukt, maar al vrij snel stak het de kop weer op toen de discipelen gingen verkondigen dat Jezus uit de dood was opgestaan).

Vraag: hoe kun je de snelle verspreiding verklaren van een religie die gebaseerd is op de aanbidding van een man die de smadelijkste dood is gestorven die maar mogelijk is. En die snelle verspreiding vond ook nog plaats in een vijandig gezinde omgeving.

ROMEINSE GESCHRIFTEN: PLINIUS MINOR

Ook een andere Romein, Plinius Minor genaamd, heeft in zijn geschriften naar het christendom verwezen:

Ik heb hun gevraagd of ze christenen zijn, en als ze dit toegeven herhaal ik de vraag een tweede en derde keer, met een waarschuwing voor de straf die hun te wachten staat. als ze volhouden geef ik bevel hen weg te leiden voor de terechtstelling; want wat de aard van hun bekentenis ook is, ik ben ervan overtuigd dat hun koppigheid en onwrikbare halstarrigheid niet ongestraft kan blijven …
zij hebben ook verklaard dat hun hele schuld of overtreding slechts hierin bestond: zij waren regelmatig voor de dageraad op een vaste dag bij elkaar gekomen om afwisselend verzen voor elkaar te zingen, ter ere van Christus als aan een god, en ook zich onder ede aan elkaar te verbinden, niet met enig misdadig doel, maar om zich te onthouden van diefstal, roof en overspel …
Dit deed mij besluiten dat het eens te meer noodzakelijk was door marteling de waarheid uit twee slavinnen te trekken, die zij diaconessen noemden. Ik vond niets behalve een soort gedegenereerd, sektarisch geloof dat tot in het extreme werd doorgevoerd.

Dit gedeelte werd omstreeks 111 na Christus geschreven en getuigt van de snelle verspreiding van het christendom, zowel in de stad als ook op het platteland, onder alle lagen van de bevolking.  Ook wordt er gesproken over de aanbidding van Jezus als God, over het feit dat christenen er hoge ethische normen op nahielden en dat ze niet gemakkelijk van hun geloof af te brengen waren. Tenslotte kun je uit dit gedeelte de enorme snelle groei van het christendom afleiden, ondanks enorme vervolging.

JOODSE GESCHRIFTEN: DE TALMOED

De Talmoed is een verzameling uitspraken van Rabbi’s, die als het ware toelichtingen zijn op de Bijbel. De Talmoed stelt zich op als een vijand van Jezus, maar erkent wel zijn bestaan. Het volgende staat er oa te lezen:

Jesu-ha-Notzri (ook wel genoemd Ben Stada, Ben Pantera, Bileam, ‘een zeker iemand’ en diverse scheldnamen) was het buitenechtelijk kind van Mirja, een kapster, en haar minnaar Pantera of Pandira. Mirjams echtegenoot was Pappas ben Jeduhah, ook wel Stada genoemd. In Egypte heeft Jezus magie gestudeerd; hij verleidde het volk door zijn tovenarij en dwaalleer, hij bespotte de wijzen, schond de sabbat en wierp zichzelf op als God.

Voor het gerecht gebracht werd hij schuldig bevonden en hoewel gedurende veertig dagen een heraut rondging om te vragen of iemand iets te zijnen gunste wilde aanvoeren , meldde zich niemand aan. Daarna werd Jezus gestenigd en te Lydda gehangen. Hij was 33 jaren oud, toen Pinehas Listasa hem liet doden en zijn gericht bestond in ‘ziedende modder’, het hellevuur.

Het blijkt duidelijk dat de Joden maar heel weinig sympathie voor Jezus konden opbrengen. Toch staat er in dit gedeelte interessante informatie: allereerst wordt jezus een tovenaar genoemd, dit impliceert dat Hij wel degelijk wonderen heeft gedaan, dat konden zijn tegenstanders niet ontkennen. Alleen gaven zij er een andere draai aan, zij noemden het tovenarij of magie. Ten tweede wordt ook hier gezegd dat Jezus zichzelf opwierp als God, een feit dat ook in de Bijbel steeds weer terugkomt (zie ook de identiteit van Jezus)

JOODSE GESCHRIFTEN: FLAVIUS JOSEPHUS

Flavius Josephus is een heel bekende Joodse geschiedschrijver uit de 1 ste eeuw na Christus. Zijn bekendste werk heet ‘Joodse oudheden’ en beschrijft de geschiedenis van het Joodse volk vanaf de schepping tot zijn tijd. Veel namen die we in de Bijbel tegenkomen komen we ook in zijn geschriften tegen. Zo lezen we oa over de hogepriester Ananias die misbruik maakte van de dood van de gouverneur Festus – die ook in het Nieuwe Testament genoemd wordt – om Jakobus (de broer van Jezus) te laten ombrengen. Ook andere figuren zoals Johannes de doper en Herodes worden door hem genoemd. Ook over jezus heeft hij het een en ander geschreven. Zo lezen we:

Te die tijde was er een zekere Jezus, een wijs mens, indien men hem althans een mens noemen mag; want zijn werken waren wonderbaar. Hij onderwees degenen, die gaarne in de waarheid onderricht wilden worden, hij werd gevolgd niet alleen door vele Joden, maar ook door vele heidenen. Deze was de Christus, die door de oversten onzes volks bij Pilatus aangeklaagd en op zijn bevel gekruisigd werd. Doch die hem bij zijn leven gevolgd hadden, verlieten hem na zijnen dood niet; want hij is hun ten derden dage weer levend verschenen, gelijk de goddelijke profeten, onder meer andere wonderlijke dingen, van hem voorzegd hadden. Aan hem is het dat de Christenen, die tegenwoordig nog bestaan, hun naam ontleend hebben.

Een heel byzonder gedeelte, jammer genoeg met een kleine complicatie. De meeste Joodse en christelijke geleerden zijn het erover eens dat dit gedeelte authentiek is, alleen dat er waarschijnlijk een paar zinsgedeelten later aan toegevoegd zijn. Zo lijkt het nogal onwaarschijnlijk dat Josephus gezegd zou hebben dat Jezus de Christus was, omdat hij elders zegt dat Jezus alleen maar door zijn volgelingen als de Messias gezien werd. En ook de uitspraak dat hij na 3 dagen weer levend aan zijn volgelingen is verschenen lijkt uit de mond van Josephus niet te kloppen.

Maar afgezien van deze 2 punten staan er nog genoeg andere interessante details in dit gedeelte. Zo staat er dat Jezus gekruisigd werd, dat Hij een wijze leraar was en dat Hij veel mensen om zich heen verzameld had.

WAT LEREN DE BUITENBIJBELSE BRONNEN ONS?

Op grond van bovenstaande gegevens kunnen we overduidelijk de conclusie trekken dat Jezus heeft bestaan. Ook blijken de buitenbijbelse bronnen in grote lijnen goed overeen te stemmen met dat wat we uit de bijbel over Jezus leren.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here