Ik Ben

0
106

In de uitspraken van Jezus komt de term “Ik ben” regelmatig voor. Op zich lijkt dat niets byzonders, behalve als je in het Oude Testament gaat lezen en ziet dat er een verband is tussen “Ik ben” en de naam van God.

In het Oude Testament staat de geschiedenis beschreven van Mozes die een ontmoeting heeft met God. Hij krijgt van God de opdracht het volk Israël uit Egypte verlossen. Mozes wil gehoorzamen, en de volgende conversatie vindt dan plaats: “Als ik naar de Israëlieten ga en hun zeg dat de God van hun voorouders mij heeft gestuurd, zullen zij vragen: ‘Over welke God heb je het?’ Wat moet ik dan antwoorden?” “Zijn naam is: Ik ben, die Ik ben”, was het antwoord. Zeg maar tegen hen: ‘Ik ben’ heeft mij gestuurd. (Exodus 3:13,14)

Gelovige Joden namen dan ook nooit de woorden ‘Ik ben’ in de mond omdat die woorden het wezen van God uitdrukten. Alleen al in het evangelie van Johannes zegt Jezus 12 keer ‘ik ben’. De uitdrukking ‘Ik ben’ was ook precies de godslastering waarop de Joodse raad Jezus veroordeelde. Jezus beweerde namelijk met die woorden gelijk te zijn aan de eeuwige God. (zie Marcus 14:62-64 en Johannes 5:18)

Ook zei Jezus een keer tegen zijn Joodse tegenstanders “eer Abraham was, ben Ik”, een heel merkwaardige uitspraak. Hij zei niet “eer Abraham was, was ik er ook al” maar “ben Ik”. In dit gedeelte beweert Jezus dus 2 dingen: a) Ik ben eeuwig in Mijzelf bestaand en 2) Ik ben aan de almachtige God gelijk.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Joden Jezus hierna weer wilden stenigen omdat hij zich in hun ogen schuldig maakte aan godslastering

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here