evolutie in theorie en praktijk

0
328

MICRO-EVOLUTIE

De alom bekende evolutietheorie is met name ontwikkeld door de beroemde Engelsman Charles Darwin (1809-1882). Iedereen weet wel in grote lijnen wat deze theorie inhoudt: de planten en dieren op aarde hebben zich geleidelijk, in de loop van miljoenen jaren, ontwikkeld. Hierbij zijn uit eenvoudig gebouwde organismen ingewikkelder organismen ontstaan, in de lijn van bijvoorbeeld ééncelligen, meercelligen, mossen, varens, naaktzadige en bedektzadige zaadplanten. Een andere lijn is de dierlijke, waaruit via vissen, reptielen en zoogdieren uiteindelijk de mens verscheen als hoogst geëvolueerde soort.
Het planten- en dierenrijk is geordend overeenkomstig een hiërarchische systematiek. De Zweedse bioloog Linnaeus (1707 -1778), die zelf overtuigd christen was, heeft hieraan een belangrijke bijdrage geleverd. Hierbij wordt een aantal duidelijk van elkaar onderscheiden indelingscriteria gehanteerd.

Van boven naar beneden is de indeling als volgt: ‘afdelingen’, onderverdeeld in ‘klassen’; klassen in ‘orden’; orden in ‘families’; families in ‘geslachten’ en geslachten in ‘soorten’.

Onder een ‘soort’ verstaan we: ‘Een verzameling van individuele planten of dieren die in staat zijn zich onderling voort te planten’. Bij het bepalen van een soort in een natuurgids, bijvoorbeeld een determinatietabel zoals een flora, blijkt door welke kenmerken die soort zich onderscheidt van andere soorten. Toch kunnen ook binnen één soort sommige kenmerken nog variëren van individu tot individu, bijvoorbeeld zijn grootte of de kleur van bloem of vacht. Die verschillen kunnen erfelijk bepaald zijn.

De individuen van één soort komen meestal voor in een of meer populaties (dat is een groep van direct-verwanten), waarbinnen ze zich door kruising geslachtelijk voortplanten. Daarbij worden de erffactoren, genen en hun allelen, uitgewisseld en overgedragen op de volgende generatie. Als binnen de populatie(s) veel erfelijke verschillen in kenmerken voorkomen, zodat bijvoorbeeld bladvorm of pootlengte variëren, dan noemen we zo’n populatie ‘genetisch rijk’. Deze genetische rijkdom wordt, als de leefomstandigheden gelijk blijven, aan het nageslacht doorgegeven. Maar als bijvoorbeeld de milieu-omstandigheden veranderen, zoals in het grensgebied van een populatie kan voorkomen, dan kunnen individuen met voor de nieuwe situatie minder gunstige eigenschappen zich niet handhaven en voortplanten, zodat de betreffende genetische factoren niet meer worden overgedragen en uit die grenspopulatie verdwijnen. Door deze natuurlijke selectie kan de grenspopulatie binnen enkele generaties duidelijk gaan verschillen van de oorspronkelijke. Zolang zij daarmee kruisbaar blijft is zij een (geografisch) ras of een ondersoort.

Zo kun je naar grootte en tekening de Sumatraanse tijger onderscheiden van de Bengaalse en van de Siberische, maar ze zijn alle onderling kruisbaar en behoren tot de ene soort, ‘Panthera tigris’ . Maar wanneer de verschillen zodanig worden dat een populatie niet meer met de oorspronkelijke populatie gekruist kan worden, heeft deze nieuwe populatie zich verzelfstandigd tot een nieuwe ‘soort’. Zo zijn de Sumatraanse en de Javaanse neushoorn aparte soorten.

Darwin was de eerste die, als scherp waarnemer, dit verschijnsel van natuurlijke selectie ontdekte en toepaste als verklaring van bijvoorbeeld de diverse vinkpopulaties op de Galapagos-eilanden, voor de westkust van Ecuador. De vogels leken sterk op elkaar. Op het ene eiland echter waren ze wat forser dan op het andere. Op het ene eiland hadden ze stomper, steviger snavels, op een ander waren die langer en dunner. Dat bleek met het beschikbare voedsel samen te hangen: op het ene eiland pelden ze met hun stevige snavels harde zaden, op het andere peuterden ze met spitsere snavels insecten uit spleten. Het geniale inzicht van Darwin was nu, dat bijvoorbeeld in het laatste geval vogels met dikke bekken in het nadeel zouden zijn, zich daardoor minder konden voortplanten, zodat de vogels met een spitsere snavel de kans kregen te gaan overheersen.

Als individuen uit geografisch geïsoleerde deelpopulaties weer bij elkaar gebracht worden, blijken ze meestal gewoon kruisbaar, waarbij de specialisatiegraad weer afneemt en de nakomelingen groter en sterker worden dan hun ouders: het hybridiseringseffect door weer toegenomen genetische verrijking.

Worden echter geen vruchtbare nakomelingen meer voortgebracht, dan is soortvorming opgetreden, dat is, per definitie, evolutie. Deze vorm van ‘evolutie door natuurlijke selectie’ is dikwijls vastgesteld in plant- en diergeografische onderzoekingen.

Behalve in de natuur kan selectie ook optreden door menselijk handelen. Van ouds is er de teeltkeuze in de plantenveredeling en bij het fokken van vee en huisdieren. De zeer uiteenlopende hondenrassen bijvoorbeeld laten de formidabele vormveranderingen zien, die door selectie in een genetisch rijk gevarieerde soort kunnen ontstaan. Maar dat is alles binnen de ene soort ‘hond’. Een tekkel en een bouvier herkennen elkaar als hond en blijven kruisbaar, al stelt het beide partners in de praktijk wel voor problemen! Ook tentoonstellingen van konijnen- en duivenrassen of van fuchsiavariëteiten laten ons zien hoe groot de genetische variabiliteit binnen één enkele soort kan zijn.

Deze vorm van evolutie bestáát. Alle veranderingen echter die waargenomen zijn in deze evolutie, zijn veranderingen die binnen het hiërarchisch systeem plaatsvinden op het laagste niveau namelijk op soortniveau. We noemen dit ‘micro-evolutie’. Darwin heeft er ons het mechanisme voor aangegeven, al kon hij nog geen idee hebben van het biologisch apparaat van de erfelijkheid, waarop natuurlijke selectie berust. Ditzelfde (begrijpelijke) gebrek aan kennis, gekoppeld aan zijn groot visionair vermogen, bracht Darwin ertoe wat hij ontdekt had op microniveau ook toe te passen op macroniveau; dat is de evolutie van lagere naar hogere organismen. Op die manier dacht hij de grote verscheidenheid in de natuur te kunnen verklaren.

Hij stelde: als de biologische soort blijkbaar niet onveranderlijk is, maar variabel, en de mogelijkheid in zich heeft andere soorten voort te brengen, dan is mogelijk de gehele variatie in de levende natuur ontstaan door geleidelijke ontwikkeling. De geleidelijke ontwikkeling van steeds hoger ontwikkelde soorten uit primitievere, van zoogdieren uit reptielen, van reptielen uit amfibieën, van amfibieën uit vissen, van vissen uit veelcellige ongewervelden, van veelcellige ongewervelden uit ééncelligen en uiteindelijk uit één primitief oerorganisme, een klompje eiwit.

Anderen, zoals de Duitse zooloog Ernst Haeckel (1834-1919), postuleerden (= als waarheid zonder bewijs aannemen) het ontstaan van dat klompje eiwit uit de toevallige samenvoeging van levenloos materiaal. In de levenloze oerzee zouden spontaan organische moleculen ontstaan zijn, die elkaar toevalligerwijs ontmoetten en zich met elkaar verbonden tot wat eiwit: het ontstaan van het leven op aarde.

Beide bovengenoemde onderstellingen zal ik apart bespreken. Ten eerste die van het ontstaan van het leven uit levenloze materie en vervolgens de theorie van de ontwikkeling van hogere uit lagere organismen, gewoonlijk aangeduid als de evolutietheorie.

HET ONTSTAAN VAN HET LEVEN OP AARDE

Dat levende materie, als hoog georganiseerd systeem, spontaan kan ontstaan uit de chaotische wanorde van de levenloze natuur, gaat in tegen de thermodynamische hoofdwetten, met name de tweede hoofdwet van de thermo-dynamica die zegt dat elk systeem dat aan zichzelf wordt overgelaten, tot steeds lagere trappen van ordening overgaat en tenslotte vervalt tot wanorde. Orde ontstaat dus niet vanzelf uit wanorde, laat staan dat die orde zich steeds hoger ontwikkelt, zoals de evolutietheorie veronderstelt. Bovendien is het spontaan ontstaan van levende materie uit de levenloze natuur al door de Franse scheikundige en bacterioloog Louis Pasteur (1822-1895) op experimentele gronden afgewezen. Behalve theoretische bezwaren zijn er ook onoverkomelijke praktische problemen.

Het bovengenoemde ‘klompje eiwit’ blijkt te bestaan uit een groot aantal specifieke eiwitmoleculen. Elk eiwitmolecuul is op zijn beurt opgebouwd uit bepaalde volgorden van zo’n twintig verschillende aminozuren. Sommige van die aminozuren kunnen inderdaad onder extreme omstandigheden door inwerking van elektrische vonken spontaan ontstaan in anorganische oplossingen. Zij zullen zich echter nóóit aaneenrijgen tot grote moleculen, omdat daarbij water vrij zou komen. In een overmaat aan water zou de reactie namelijk in plaats van tot binding tot splitsing leiden. Bovendien bevatten alle aminozuren een optisch actief koolstofatoom. Dit betekent dat ze alle of linksdraaiend of rechtsdraaiend zijn. Bij spontane vorming van aminozuren worden altijd evenveel links- als rechtsdraaiende aminozuren gevormd, een zogenaamd ‘racemisch mengsel’. Maar daaruit is géén eiwit te vormen, omdat alle eiwitten in de levende natuur uit uitsluitend linksdraaiende eenheden zijn opgebouwd. Eén rechtsdraaiend molecuul erin vernietigt al de biologische functie van het eiwit. (Bij sommige organismen komen ook wel specifieke rechtsdraaiende aminozuren voor, maar deze dienen als afweerstoffen, die de stofwisseling van andere organismen vergiftigen.) In de levende cel worden eiwitten dan ook gevormd in heel speciale ‘minifabriekjes’, die alléén linksdraaiende aminozuren kunnen verwerken.

Deze aminozuren zijn aangemaakt door enzymen (wat op zich óók eiwitten zijn) die uitsluitend de linksdraaiende vorm produceren. De eiwitfabriekjes zijn opgebouwd uit verschillende soorten nucleïnezuren. De nucleïnezuren bevatten ook de informatie in welke volgorde de verschillende aminozuren tot de specifieke eiwitten aaneengeregen moeten worden. Deze informatie wordt bepaald door de volgorde van de eenheden van het desoxyribonucleïnezuur, het DNA, dat de genetische code in de celkern bevat. De eenheden waaruit de nucleïnezuren zijn opgebouwd, de nucleotiden, zijn eveneens optisch actief, maar dan uitsluitend in hun rechts-draaiende vorm.

Eén linksdraaiend nucleotide vernietigt de biologische functie. Ook deze rechtsdraaiende nucleotiden worden door specifieke eiwit-enzymen gevormd.

De fenomenale verfijning en precisie van de bouwstenen van het leven en de minifabriekjes die deze bouwstenen produceren maken een spontaan ontstaan daarvan ondenkbaar, nog afgezien van de al eerder genoemde thermodynamische onmogelijkheid. Uit een hoop metaalafval, kunststof, rubber en glas zal nóóit vanzelf maar het simpelste autootje ontstaan. Ook de informatietheorie leert ons dat er een intelligentie nodig is, zowel voor het ontwerp van de auto, als van de fabriek, waarin hij wordt geconstrueerd. Je moet dan ook wel een zéér groot geloof hebben om het véél gecompliceerder en verfijnder ontwerp en het produktiemechanisme van de bouwstenen van het leven, eiwitten en nucleïnezuren, als ook de integratie daarvan tot een functioneel levend organisme, toe te schrijven aan het toeval. Hier is écht een superieure Intelligentie aan het werk geweest. Het kón niet anders. De kans namelijk op het toevallig ontstaan van een klein eiwit is berekend door prof. Eden van het Michigan Institute of Technology in de VS.

Deze kans is 10325, terwijl er ‘maar’ 1080 atomaire deeltjes in het gehele universum voorkomen! En dan heb je nog maar één eiwit, laat staan een simpel organisme dat uit zeer vele verschillende eiwitten bestaat!

MACRO-EVOLUTIE

Het is belangrijk de beweerde evolutie van lager naar hoger ontwikkelde organismen als macro-evolutie te onderscheiden van de al eerder beschreven micro-evolutie. Sinds we het biologisch apparaat van de erfelijkheid kennen, dat is sinds het begin van deze eeuw, weten we immers dat het heel verschillende, ia zelfs tegengestelde processen zijn. Wij zagen dat micro-evolutie plaatsvindt door natuurlijke selectie. Hierbij wordt genetisch materiaal, het DNA in de genen, weggeselecteerd, waardoor informatie verdwijnt. De zo geëvolueerde populaties zijn dan ook genetisch verarmd en vaak nauwelijks variabel meer. Aan onze soorten mezen en viooltjes verandert niet veel meer. Micro-evolutie is genetisch ‘down-hill’, een doodlopende weg.

Macro-evolutie daarentegen, ‘van amoebe tot mens’, zou juist een enorme, steeds verdergaande verrijking van de genetische informatie vergen; het is een ‘up-hill’ proces. Natuurlijke selectie werkt hierbij de verkeerde kant op.

Bij macro-evolutie zou een geheel ander genetisch mechanisme moeten optreden. Maar welk?

Sinds de genen bekend zijn als de stoffelijke dragers van de erfelijkheid, en dat is al een eeuw lang, is intensief naar dit mechanisme gezocht. Men dacht het gevonden te hebben in het optreden van mutaties. Dit zijn toevallige veranderingen in het DNA waaruit de genen zijn opgebouwd. Echter, een eeuwonderzoek bij dieren, planten en microben heeft nog nóóit geleid tot de ontdekking van een ‘winstmutatie’, zoals voor macro-evolutie vereist is. Elke spontane of bewerkstelligde verandering in het DNA bleek te leiden tot misinformatie, tot het wegvallen van genwerking. Soms is dat geen bezwaar:

Ook witte of gebroken in plaats van egaal gekleurde bloemen kunnen mooi en wellicht functioneel zijn. Meestal echter leidt mutatie, of welke genetische verandering ook, tot een misvormend defect; dikwijls letaal (dodelijk) zodat het embryo, als het zich al ontwikkelt, afsterft. Zo zijn van het bananenvliegje, Drosophila, dat in de natuur in honderden verschillende soorten voorkomt, in het laboratorium duizenden kunstmatige mutanten verkregen. Echter, dit waren zonder uitzondering misvormingen; nimmer is er één nieuwe, volwaardige bananenvlieg bijgekomen. Bij de mens leidt één zo’n mutatie tot een (erfelijke) spierdystrofie, een andere tot de dodelijke cystische fibrose (taaislijmziekte). Verplaatsing van bestaand genetisch materiaal binnen de celkern, ook wel gezien als bron voor genetische verrijking, blijkt evenmin functioneel. Bij de mens leidt het bijvoorbeeld tot het mongolisme.

Bovendien is voor de ontwikkeling van iets echt nieuws, een veer of een oog bijvoorbeeld, één enkele genetische verandering volstrekt ontoereikend: tientallen, honderden genetische veranderingen zijn vereist! En deze moeten dan ook nog alle samenwerken naar één enkele, specifieke nieuwvorming.

En dan, veren alleen zijn niet genoeg om te vliegen. Het hele skelet, de spieren en zenuwen, de hersenen, het gedrag, kortom, het gehele organisme moet veranderen. En het moet ook ineens helemaal goed zijn. Iets wat niet meteen werkt wordt door de natuurlijke selectie direct weggeselecteerd. Natuurlijke selectie is in wezen een uiterst conservatief mechanisme, dat afwijkingen die niet voldoen verwijdert. Een oog dat nog niet ziet, werkt niet en wordt meteen weggeselecteerd. Dit geldt ook voor een incomplete vlieguitrusting. Het is nog erger dan nutteloos. Het hindert in de strijd om het bestaan en zal daarom door de natuurlijke selectie weggeselecteerd worden. En dan, een toevallig zo veranderd individu zou een precies zo veranderde partner nodig hebben om zich te kunnen voortplanten tot een nieuwe soort.

PALEONTOLOGIE

Volgens de aanhangers van de evolutietheorie zouden bovengenoemde veranderingen in een periode van miljoenen jaren gebeurd zijn. Dit zou dan ook betekenen dat er vele tussenvormen moeten zijn geweest voordat bijvoorbeeld op het niveau van families iets nieuws ontstaan zou zijn. Je zou als gevolg hiervan mogen verwachten dat vele van deze tussenvormen, de zogenaamde ‘missing links’, aanwezig zijn in het rijk van de fossielen, wat versteende overblijfselen van vroegere organismen zijn. De wetenschap, die deze fossielen bestudeert, de paleontologie, werd al ten tijde van Darwin beoefend, en Darwin verwachtte van verder paleontologisch onderzoek de vondsten van zulke ‘missing links’. Echter, ondanks anderhalve eeuw van intensief paleontologisch onderzoek sinds Darwin, zijn deze ‘ontbrekende schakels’ nooit gevonden. Ook niet de overgangen tussen aap en mens door de paleo-antropologen, die de beweerde afstamming van de mens uit het dierenrijk trachten op te sporen. Alle gevonden fossiele resten behoorden of tot echte mensen (soms uitgestorven rassen) of tot echte apen (eveneens soms uitgestorven), niettegenstaande fantasierijke interpretaties en tekeningen van paleo-antropologen. Mens en chimpansee komen sterk overeen in bouwen zelfs in gedrag; ze verschillen in hun genengarnituur slechts enkele procenten.

Er zijn niettemin geen overgangsvormen bekend, het zijn ondanks hun genetische en verdere overeenkomsten volstrekt verschillende organismen. Wij stuiten hier op een wijd en zijd verbreid ernstig misverstand, namelijk dat de universele overeenkomst van de bouwstenen van het leven (de moleculaire structuren) en de overeenkomst in de anatomische bouw, zouden wijzen op gemeenschappelijke afstamming. T en onrechte, ze getuigen juist van een intelligent Ontwerper die eens voor al een goed bouwplan ontwierp en steeds weer toepaste en varieerde (‘toen formeerde de Heer God de mens van stof uit de aardbodem’ en’ de Heer God formeerde uit de aardbodem al het gedierte des veld en al het gevogelte des hemels’, respectievelijk Gen. 2: 7 en Gen. 2: 19).

Zoals componisten, als mens beelddrager van God, met steeds dezelfde twaalf noten altijd weer nieuwe muziekstukken scheppen. Of, om nog maar eens de vergelijking met auto’s te maken: een Volkswagen en een Toot lijken tot in finesses op elkaar. Toch stammen ze niet van elkaar, maar van (menselijk) intellect!

Op een paleontologencongres in 1981 in de VS stelde het hoofd van de rijkste fossielencollectie ter wereld, die in het Brits Museum in Londen, dr. Colin Paterson, zijn collega’s openlijk de vraag of er iemand was die één, slechts één echte tussenvorm gevonden had; het bleef doodstil. Na verloop van tijd merkte iemand van de aanwezigen in de zaal op: ‘It ought not to be taught in highschool’ (het zou niet op de middelbare school onderwezen mogen worden).

De meest befaamde huidige paleontoloog, dr. Stephen Gould van de Harvard University, die dit probleem ‘the trade secret of paleontology’ noemt, stelt als oplossing voor dat zulke tussenvormen slechts heel kort in een klein deel van de populatie zouden zijn voorgekomen en dus niet gevonden kunnen worden. Vanuit dit standpunt zou het weliswaar logisch zijn om het zoeken naar ‘missing links’ op te geven, maar dat zou onwetenschappelijk zijn. Het is wetenschap willen bedrijven zonder bewijsmateriaal te verzamelen. Daarmee verliest een wetenschappelijke theorie zijn status en wordt ze een dogma, een geloofsartikel. Het alternatief is: het aanvaarden dat die tussenvormen er nooit geweest zijn.

In de paleontologie is men vooral geboeid door de vele reeds uitgestorven levensvormen, die alleen als fossiel bekend zijn. Soms blijken dieren of planten, waarvan men de stellige overtuiging had dat ze allang uitgestorven waren, nog ergens in leven te zijn. Men spreekt in zo’n geval van levende fossielen. Een voorbeeld hiervan is de coelacant die, ‘vergeten door de evolutie’ , in 1938 bij Madagascar op honderden meters diepte in de Indische Oceaan gevonden werd. Het is een ca. 11/2 meter lange en tachtig kilogram zware kwastvinnige beenvis. Van dit ‘fossiel’ werden de vinnen beschouwd als overgangsvormen naar de poten van landdieren, en dat, terwijl de coelacant leeft in diepe zeetroggen, ver weg van het vaste land. Zo is ook in 1994 in Australië, en nog wel in de buurt van de wereldstad Sydney, een hele populatie aangetroffen van een reeds heel lang uitgestorven geachte naaldboom.

En omgekeerd blijken talloze thans levende planten en dieren in precies dezelfde gedaante voor te komen als ‘vele miljoenen jaren oud’ fossiel. T al van bladfossielen determineer ie zonder moeite met een flora van deze tijd; de in barnsteen gefossiliseerde insecten zijn niet te onderscheiden van hun huidige verwanten en dus even hoog gespecialiseerd. Zogenaamde ‘primitieve vormen’ van bijvoorbeeld mug of mier worden in het barnsteen niet aangetroffen. Maar als er dan geen primitieve fossielen van te vinden zijn, wat is dan toch eigenlijk nog het bewijs dat er ooit zo’n evolutie zou zijn opgetreden?
Conclusie

Als we het bovenstaande in ogenschouw nemen, moeten we tot de volgende slotsom komen:

Ø het leven op aarde kan niet ‘spontaan’ ontstaan zijn

Ø evolutie speelt zich alleen af op het microniveau van de soort, door het mechanisme van natuurlijke selectie

Ø voor macro-evolutie volgens de evolutietheorie bestaat geen genetisch of moleculair-biologisch mechanisme en is er geen bewijs uit de ‘fossil record’ (het fossiele archief) dat zij ooit heeft plaatsgevonden

Ø thermodynamisch, statistisch en volgens de informatieleer is evolutie onmogelijk

De rijkdom van de levende natuur treedt plotseling in al zijn vormen en gevarieerdheid op in het Cambrium. Hoe is die grote talrijkheid dan te verklaren? Reeds uit de jaren twintig dateert de uitspraak van Sir Arthur Keith: ‘Evolution is unproven and unprovab/e, but the only a/ternative is specific creation and that is unthinkable’ . Typeert dit niet de natuurwetenschappelijke onderzoeker die niet wil erkennen dat er een God is? Het is niet overdreven te zeggen, dat velen door het onderwijs in de evolutietheorie geïnfecteerd zijn met het evolutievirus en mede daardoor God en de bijbel als achterhaald ter zijde geschoven hebben. Het overwicht van een natuurwetenschap die geen rekening wenst te houden met een Schepper is onmiskenbaar groot, en omdat zij vaak ook nog de massa-media aan haar kant heeft, zal niet snelopenbaar worden hoe betwijfelbaar de evolutietheorie als wetenschappelijke onderstelling is geworden. In feite is het thans een geen bewiis behoevend geloof, zoals uit de opvatting van dr. Stephen Gould voortvloeit.

Alles valt echter natuurlijkerwijs op zijn plaats als wij in onze levens- en wereldbeschouwing ruimte bieden aan een intelligent Opperwezen dat genetisch rijk gevarieerde oerpopulaties creëerde, waaruit zich door natuurlijke selectie de huidig voorkomende flora en fauna ontwikkelde. Zo’n oerpopulatie kan bestaan uit één enkel paar met een grote rijkdom aan genen en allelen. De vrouw van de eerste mens werd zelfs uit hem zelf geformeerd, zodat Adam en Eva genetisch identiek waren. Niettemin ontwikkelden zich uit hen alle rassen van het mensdom. T erecht stelt Paulus dan ook in het eerste hoofdstuk van de Romeinenbrief:

‘Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien, zodat zij geen verontschuldiging hebben. Immers, hoewel zij God kenden, hebben zij Hem niet als God verheerlijkt of gedankt, maar hun overleggingen zijn op niets uitgelopen, en het is duister geworden in hun onverstandig hart. Bewerende wijs te zijn, zijn zij dwaas geworden en zij hebben de majesteit van de onvergankelijke God vervangen door hetgeen gelijkt op het beeld van een vergankelijk mens, van vogels, van viervoetige en van kruipende dieren… Zij immers hadden de waarheid Gods vervangen door de leugen en het schepsel vereerd en gediend boven de Schepper, die te prijzen is tot in eeuwigheid. Amen.’

met toestemming overgenomen uit christendom onwijs!? uitgegeven door uitgeverij Kok

DELEN
Vorig artikelde bron van informatie
Volgend artikelevolutie als religie

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here