niet bang voor de dood

0
172

“Nu jaagt de dood geen angst meer aan”. Woorden van het bekende paaslied. In gewoon Nederlands zouden we zeggen: ik ben niet bang voor de dood. Nou, dat is heel wat als je dat kunt zeggen.

Nog niet zo lang geleden was de bekende evangelist dr. Billy Graham te gast in de Oprah Winfrey show. De aanleiding hiervoor was een hele dikke autobiografie die Graham over zijn leven geschreven had. Hierin werd teruggeblikt maar ook naar de toekomst gekeken, hoelang die ook nog voor dr. Graham zal zijn hier als levende onder ons. Toen kwam heel direct de vraag: – en Oprah Winfrey keek dr. Graham aan en zei: Dr. Graham, bent u bang voor de dood? Dr. Graham, zo rustig als hij is, keek Oprah aan en zei: Oprah, ik kan echt zeggen: ik ben niet bang voor de dood. Natuurlijk, het proces van sterven, een onbekend proces, daar ziet niemand naar uit en dat kan je best angstig maken. Maar als je vraagt naar de dood zelf, ben je bang voor de dood, dan kan ik echt met overtuiging zeggen: nee, ik ben niet bang voor de dood

In deze bijzondere dienst willen we daar met elkaar over nadenken. Dat is best een zware vraag. We zijn mensen van het leven. Vandaag vieren we het leven. Maar in het leven heeft ook de dood een plaats. Soms worden we daarmee geconfronteerd vanwege iemand die ons ontvalt en staan we aan een graf, maar ook heel vaak worden we ermee geconfronteerd op allerlei andere manieren. Ik hoef alleen maar te denken aan die heel beroemde film van dit jaar. Het heeft elf oscars gewonnen: The Titanic. Op een heel dramatische wijze worden we daar bepaald bij het feit van de dood. Maar ook in de media worden we ermee geconfronteerd.

Nog niet zolang geleden was ik voor een kort familiebezoek in Parijs. Het hotelletje wat voor ons geregeld was, bleek net om de hoek te zijn van het Ritzhotel. Het Ritzhotel wat zo bekend is geworden vanwege het omkomen van prinses Diana en Dodi. En dan loop je daar rond, we liepen in dat straatje aan de achterkant van de Ritz – en ook de achterkant van de Ritz is heel bekend geworden vanwege het willen vluchten door de achteruitgang van het hotel – dan loop je daar en dan sta je voor die deur. Je denkt, hier kwamen Dodi en prinses Diana naar buiten, probeerden een veilige route te vinden, snel de stad uit waar ze heen moesten. Maar, we weten allemaal hoe het afgelopen is. Dan sta je bij die deur en dan kijk je naar die beveiligingscamera, de camera die de laatste beelden heeft geregistreerd van een nog levende prinses Diana en Dodi, en dan kijk je in die camera en ik had de gedachte: Wigle, dit zouden ook jouw laatste beelden kunnen zijn. Op zo’n moment wordt je geconfronteerd met de vraag: en dan? Ben ik bang voor de dood? Bent u bang voor de dood? Ben jij bang voor de dood? Of kunnen we zeggen wat in de Oprah Winfrey show gezegd werd: uit overtuiging kan ik zeggen: ik ben niet bang voor de dood.

IK BEN NIET BANG VOOR DE DOOD

Ik hoorde eens het verhaal van een zeer ijdele dame, een dame op middelbare leeftijd. Zij wilde zo graag geportretteerd worden; een prachtige foto laten maken. Geld speelde geen rol. Ze dacht: Als ik de duurste fotograaf neem, dan zal dat ook wel de beste zijn. Ze koos een fotograaf uit en maakte een afspraak. Eerst maakte ze nog een klein bezoekje aan de schoonheidssalon. Na daar een halve dag doorgebracht te hebben, stapte ze de fotostudio binnen. Toch was ze een beetje gespannen. En voordat de sessie begon, nam ze de fotograaf even terzijde en fluisterde hem in het oor: Beste man, u doet me toch wel recht he? Waarop de fotograaf haar aankeek en zei: Recht mevrouw, recht? Wat u nodig hebt is genade.

Wel, over die twee woorden willen we spreken. Recht enerzijds en genade anderzijds. Want die twee begrippen hebben heel veel met elkaar te maken. Juist als het gaat om de vraag hoe je in het leven staat. Ook misschien wel juist ten aanzien van het einde van dat leven. Althans het einde hier op aarde. Want de vraag: ben ik bang voor de dood, heeft natuurlijk alles te maken met de vraag: ja maar, wat komt er dan daarna? Eigenlijk hebben alle wereldreligies zich daarmee beziggehouden; wat we vaak ook wel noemen: het hiernamaals. Is er een hiernamaals? En zo ja, hoe kom je daar dan binnen? Kom je op grond van eigen verdienste binnen of krijg je het voor niets. Moet je het zelf verdienen of is het onverdiend en is het genade?

Afgelopen week werd ik getroffen door een bijna volle overlijdenspagina. U kent ze in de krant; waar alle overlijdensberichten staan. En deze pagina was bijna helemaal gevuld vanwege het overlijden van één man. Een zeer geliefd iemand in de regio, bekend ook in de sportwereld. En omdat deze man zo bekend was, stond er een paar dagen later ook een verslag van de rouwplechtigheid in diezelfde krant. Ik was getroffen door alle woorden die daar gesproken werden ten aanzien van de overledene. En één vriend van de overledene zei dit – en ik denk dat hij sprak alsof die man nog aanwezig was, misschien heeft hij de kist aangekeken, hij zei: “Goede vriend, ik wens je de mooiste skybox toe daarboven”. Dat is heel mooi gezegd, ook heel beeldend gezegd. Ik wens je de mooiste skybox toe daarboven. We weten allemaal dat skyboxen niet goedkoop zijn, daar moet je duur voor betalen. Een skybox is eigenlijk niet weggelegd voor de gemiddelde man, voor de gemiddelde vrouw. Daar willen we nu juist ook over praten.

Want als je in de bijbel kijkt, dan zie je dat Jezus spreekt over zijn hemelse Vader en dat bij zijn hemelse Vader vele woningen zijn. Hij zei: Ik ben gekomen om één van die woningen voor jou, voor u te bereiden. En de grote vraag is: moet je daarvoor betalen of is het gratis? Wij Nederlanders hebben altijd heel veel moeite met het feit dat iets gratis is. We hebben er allerlei uitdrukkingen voor. Eén van de meest Nederlandse uitdrukking is wel: ‘Voor niets gaat de zon op’. Ik weet niet of deze uitdrukking ook in een andere taal bestaat, ik kon er niet zo gauw opkomen. Ik vind het een typisch Nederlandse uitdrukking. ‘Voor niets gaat de zon op’. Voor al het andere moet je betalen, al het andere moet je verdienen. Alleen de zon, de zon gaat voor niets op. En zo zijn er heel wat uitdrukkingen. ‘Voor wat hoort wat’. We zeggen tegen elkaar: Ja, je zult het zelf moeten presteren, je zult het zelf voor elkaar moeten maken, je zult er zelf voor moeten knokken, je zult het zelf moeten verdienen. We hebben zelfs een uitdrukking over de eerste rij bij bijvoorbeeld een voorstelling. Gratis vinden we moeilijk. Dan zeggen we: Als het even kan, voor een dubbeltje op de eerste rij. Ik heb niet gekeken wat u in de collecte heeft gedaan, maar de eerste rij is helemaal gevuld. Dat geeft iets aan van ons Nederlanders. We zijn zuinig. We weten dat er uiteindelijk voor betaald moet worden, maar als het even kan, dan toch wel het minimum. Maar betaald zal er worden, want alleen de zon gaat voor niets op.

Als ik daarover nadenk en terugkijk in mijn eigen leven, kom ik tot de ontdekking dat dat ook in mijn geloofsleven een enorm grote rol heeft gespeeld. Eigenlijk van jongs af aan vroeg ik mij al af: hoe zit dat met het eeuwig leven, hoe zit dat met het hiernamaals. Kun je het verdienen, moet je het verdienen? En wat moet je er dan voor doen? Ik herinner mij nog zo goed, het was heel ingrijpend in mijn jonge leven, dat er op een dag gebeld werd bij ons aan de deur. Mijn moeder deed open. Ik, als klein jochie, liep heel nieuwsgierig met haar mee. De deur ging open. En daar stond een heel verdrietige mevrouw. Ik kende haar. Mijn moeder vroeg haar binnen en daar werd het nieuws verteld. Zij vertelde dat die nacht haar moeder was overleden. Dat was, voor zover ik het mij kan herinneren, de eerste keer dat ik werd geconfronteerd met de dood van iemand die ik kende bij ons uit de buurt. Ik luisterde naar het gesprek wat daar plaatsvondt. Je probeert dan heel meelevend te vragen. Je probeert te troosten. En zo ook mijn moeder. Ze vroeg: Hoe is het gebeurd? Was er iemand bij? Hebben jullie afscheid kunnen nemen? Nee. Ze is overleden in haar slaap. Er was niemand bij. Wel, wist ze waar ze heen ging? Nou, zei de dochter, ja, dat kun je toch niet zomaar zeggen? Dat moet je verdienen. Daar moet je je best voor doen en zelfs dan weet je het nog niet. Het is altijd afwachten.

Ik stond daar als klein jochie en het maakte een diepe indruk. Je moet het verdienen, je kunt er niet zeker van zijn. Het is afwachten. Nou, die vraag heeft mij beziggehouden tot in de pubertijd. En ik ben blij dat er toen een verlossend antwoord kwam. Want in deze persoon die hier staat, was een hele rebelse puber vertegenwoordigd in die tijd. Als ik het toen had moeten verdienen, hadden al mijn trofeeën gepast in een heel klein vingerhoedje. Daarom hield die vraag mij ook zo bezig en daarom was ik ook zo blij dat juist in die tijd het verlossende antwoord kwam. En dat verlossende antwoord kwam uit de bijbel. Dat stukje wil ik graag met u lezen. Het komt uit Johannes 20:30. Johannes, net als de andere evangelisten, geeft aan het eind van zijn boek alle ins en outs rond Pasen, getuigeverslagen van de opstanding; mensen die Jezus gezien hebben als de opgestane Heer. Eén daarvan is Thomas, daar schrijft Johannes ook over. Misschien kent u hem. Wij noemen hem wel de ongelovige Thomas. Maar het is eigenlijk verkeerd dat hij zo de geschiedenis is ingegaan, want het was slechts een periode in zijn leven dat hij ongelovig was. Door de verschijning van Jezus wordt Thomas gelovig. En daar eindigt Johannes dan mee, om dat getuigenverslag te geven; van een Thomas die als het ware om ging en zei: Nu geloof ik. Johannes zegt het volgende:

Jezus heeft nog wel vele andere tekenen voor de ogen zijner discipelen gedaan, die niet beschreven zijn in dit boek, maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij, gelovende, het leven hebt in zijn naam.

Opdat gij, gelovende, het leven hebt in zijn naam. Dat is wat Johannes ons doorgeeft. Jezus heeft heel veel dingen gedaan. Maar dit willen we als evangelisten doorgeven aan alle generaties die het maar lezen willen. En nu, 2000 jaar later, spreken we erover en lezen we het uit het boek. Ik moet zeggen, toen ik dat las: gelovende in zijn naam heb je het leven, sloeg die boodschap in als een bom. Het heeft me nooit meer losgelaten. Johannes zegt: Ik had mijn evangelie nog veel dikker kunnen maken, ik had nog een kilo papier eraan toe kunnen voegen. Maar, ik heb het niet gedaan. Zo is het genoeg. Punt erachter. Dit is wat jullie moeten weten. Later, want hij kon er blijkbaar toch niet over zwijgen, zegt hij in één van zijn brieven nog het volgende: – Hij is er zo vol van. Als u Johannes kent… Hij heeft het evangelie geschreven, drie brieven en ook nog Openbaring, het laatste boek van de bijbel. Telkens komt het terug: het leven en dat geschonken, voor niets, uit genade. En je mag het en je kan het zeker weten. In één van zijn brieven (1 Johannes 5:13) schrijft hij dan dit:

Dit heb ik u geschreven, die gelooft in de naam van de Zoon Gods, opdat gij weet, dat gij eeuwig leven hebt.

Opdat gij weet, zeker weet!… Zeker weten… Ook die ontdekking was de ontdekking van mijn leven. Het is de ontdekking van miljoenen mensen. Het is ook die ontdekking die Billy Graham kon doen zeggen tegen Oprah Winfrey: Ik ben niet bang voor de dood. Kan ik het zeggen? Ja, ik kan het zeggen, anders zou ik hier niet staan. Kan u het zeggen? Kan jij het zeggen? Ik ben niet bang voor de dood. Die boodschap is bevrijdend als je daar ja op kan zeggen om de goede redenen. Dat je in feite zegt: al mijn verdiensten – en we mogen goed doen en we moeten goed doen – hebben niets te maken met het leven wat Jezus mij wil aanbieden. Want wanneer zou je genoeg jezelf hebben ingespannen? Wanneer kun je zeggen: En nu zijn al mijn opgestapelde daden genoeg? Hoe groot moet de kast zijn om al je trofeeën en al je oorkondes mee te kunnen nemen naar de hemelpoort? Hoe groot moet die zijn? Wie zal het zeggen? Kan u het zeggen? Ik niet. En daarom: het is zo’n bevrijdende boodschap, want als er één voorwaarde zou zijn om wel op eigen verdienste de hemelpoort binnen te gaan, dan zou het moeten zijn dat u, jij en ik volmaakt zijn. De enige voorwaarde voor de hemel is volmaakt te zijn, omdat de hemel volmaakt is. Maar, niemand is volmaakt. Of toch wel?

Ja, er was er één volmaakt. Geboren met Kerst: God, mens geworden. God’s Zoon Jezus Christus. God zelf kwam naar deze aarde en werd mens. En alleen van die mens kan gezegd worden dat Hij volmaakt was, zonder zonde. Die volmaakte mens, Jezus Christus, leefde en ging de weg. Toen hij dertig was, begon Hij te prediken. Hij predikte over dat Koninkrijk van God en over dat leven wat op aarde binnen handbereik gekomen was. En het bijzondere is dat Hij zelf daarvoor de prijs zou betalen. Aan het einde van die drie jaren werd het Goede Vrijdag. En het was op die dag dat Hij zijn leven gaf. Volmaakt en zonder zonde hing Hij daar aan het kruis van Golgotha en gaf zijn leven vrijwillig, voor mij, voor u, voor jou. Toen Hij daar hing aan het einde van zijn leven, was het laatste wat Hij zei: Het is volbracht!

Dat woord ‘het is volbracht’ is een heel interessante term in de originele taal waarin de bijbel geschreven werd. Je zou het ook kunnen vertalen met: het is voldaan, de rekening is betaald, de rekening is vereffend, de prijs die nodig was is op tafel gelegd. Hij deed het omdat wij de prijs niet konden betalen. Hij deed het vrijwillig. Hij deed het omdat Hij ons zo lief had. En om te tonen dat deze Jezus uniek van God gezonden was om dat voor mensen te bereiden, was het ook God die Hem uit de doden deed opwekken. En daarin werd getoond, dat Hij was Gods Zoon in kracht. En ook de Enige die ons dat leven kan geven; leven dwars door de dood heen, dwars door het graf, dwars de hemelpoort in tot in het eeuwige leven.

Als we daarover nadenken, juist op een dag als deze, geeft dat ons een geweldig perspektief. Want zo heeft God het leven bedoeld. Want het leven is veel meer dan zestig, zeventig, tachtig jaar. Dat is nog maar het voorportaal. We mogen straks die hemelpoort in, tot in de eeuwigheid. Dat is de bestemming van de mens. Daartoe heeft God de mens gemaakt. Pasen kunnen we eigenlijk niet anders dan vieren dan door te zeggen: De dood is dood, leve het leven! En als je dat kunt zeggen, zul je heel anders in het leven staan. Dan zul je ook heel anders nadenken over het feit dat er inderdaad hier op aarde éénmaal een einde komt. Maar dat einde is niet het einde. Dat is niet: en dan gaat de deur dicht. Nee, dan gaat de poort open. En dan mag je zeggen: Ik ben niet bang voor de dood. Oh, met Billy Graham zullen we zeggen: dat proces van sterven, verschrikkelijk… En wat kan het soms een lijdensweg zijn. En laten we ook niet heel makkelijk daarover spreken. Het zijn heel ingrijpende dingen. Maar we willen erover nadenken omdat we ermee geconfronteerd worden en dat op velerlei manieren.

Nog niet zo lang geleden maakte ik met onze dochter Christi van drie, een natuurwandeling. Op zoek naar diertjes. En ik weet uit mijn eigen jeugd dat dat wat makkelijker was. Vroeger werd je ’s nachts wakker gehouden vanwege de kwakende kikkers. Tegenwoordig moet je ze zoeken. Wij gingen op pad en warempel, langs de kant van de weg zag ik op afstand een kikker. Toen ik wat dichterbij kwam, zag ik dat het lieve beestje dood was. Maar goed, Christi had het ook gezien en die rende mee en dacht: Oh, een kikker. Maar de kikker bewoog niet. Christi kijken. En wat doe je dan? Ik gaf de kikker met mijn schoen maar een klein zetje. Tevergeefs. Maar Christi bleef kijken… Ik dacht: Laat ik nog maar een zetje geven, want ze is nog zo vol hoop. Maar ook bij mijn tweede zetje: geen beweging. Toen keek ze me een beetje teleurgesteld aan en zei: Pappa, hij doet het niet meer. Ik dacht: Nou jammer, we lopen weer door. Maar nee, ze bleef erbij staan en gaf de moed nog steeds niet op. Ze keek me weer aan en zei: Kunnen we er dan geen nieuwe batterij in stoppen? Dat is een prachtig beeld. Een nieuwe batterij, een verse batterij, die héél lang meegaat.

Wel, toen God na de tragedie van de zondeval een mensheid aan de kant van de weg zag liggen, dood, een dode mensheid, kon Hij daar niet mee leven. Hij zou een oplossing vinden. Er zouden kersverse batterijen komen die tot in eeuwigheid zouden duren. Daartoe werd het Kerst, daartoe werd het Goede Vrijdag, daartoe werd het Pasen. God toonde zijn afschuw over de dood. God kon niet leven met de dood. God had zoveel liefde voor het leven, God had zoveel liefde voor de mens, dat Hij zijn eigen Zoon gaf, om te maken dat wij tot in eeuwigheid zouden leven. Wel, die nieuwe batterij is het feest van Pasen. En ze kwamen helemaal gratis, prodeo, helemaal voor niets. En daar komen wij als Nederlanders weer. Dat vinden we eigenlijk ontzettend moeilijk. Op het moment dat je zegt: Ik kan het niet verdienen en ik hoef het ook niet te verdienen, het is genade, prodeo, voor niets mag ik het krijgen, dan zeggen we: Ja, maar… Eigenlijk willen we zelf nog iets daaraan toevoegen. God zegt: Nee, dat kan niet. Ik heb alles gedaan. Ik heb het gezegd: het is volbracht. Het is volkomen voldaan. Ja, maar…

Ik hoop dat we vanmorgen geen ‘ja, maar’ meer hebben. Want als wij dat ‘ja, maar’ hebben en zeggen: Alleen de zon gaat voor niets op en de rest zullen we zelf moeten doen, dan moeten we ook iets anders constateren. Dat niet alleen de zon voor niets is opgegaan, maar dat ook de Zoon voor niets is opgegaan. Dat dat toch niet zal gebeuren. Dat er geen Pasen in ons leven voorbij zal gaan waarop de Zoon voor niets is opgegaan. Laten we bidden.

GEBED

Here, dank dat U de God bent die veel meer doet dan alleen de zon voor niets laat opgaan over onze levens. Dank dat uw Zoon gekomen is. Vrijwillig ging Hij de weg van de dood met Goede Vrijdag, maar dwars door de dood heen mocht Hij opstaan. Dat Hij toch niet voor niets is opgestaan, toch niet voor niets is opgegaan, uw Zoon Jezus Christus.

Here, in deze momenten van alle openheid en alle eerlijkheid, willen we ook ons hart openen. Ons hart openen voor het woord van Johannes, die er zo vol van was dat hij zei: O mensen, denk niet dat je het kunt verdienen. Het is door het geloof, uit genade. Neem het aan; het leven, het eeuwige leven in Christus. Here we willen een moment stil zijn. En als er iemand is die zegt: Voor het eerst is die boodschap me duidelijk, nu begrijp ik voor het eerst iets van het evangelie van de opstanding: ik wil mezelf geven en ik kom met lege handen. In feite wil ik de hele tas met trofeeën maar inleveren en zeggen: Here, hier is het, het heeft geen waarde als het gaat om wat U mij wilt geven, want U geeft het om niet en ik wil het ook om niet uit uw hand ontvangen en mijn hart openen voor die genade. Here, we willen een moment stil zijn om heel persoonlijk, als we de behoefte eraan hebben in ons hart, iets tegen U te zeggen. En misschien wel te zeggen: Dank Here, dat U het ook voor mij uitriep: Het is volbracht! De prijs is betaald. Er is voldaan. Here, hoor ons in deze heel persoonlijke momenten van stil gebed. Dank Here, dat U ons hart kent. We hoeven niet veel tegen U te zeggen. Die drie woorden: het is volbracht, mogen we beantwoorden door ook drie woorden maar heel simpel te zeggen: Dank U Here. We willen U danken voor uw volmaakte plan van verlossing, uw volmaakte plan van het leven, uw volmaakte weg. Dank Here, dat we die weg mogen kennen. In Jezus naam.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here