de Hoofdpersoon

0
118

Over de Here Jezus zijn veel theorieën en denkbeelden in omloop. Elke tijd heeft van Hem een eigen beeld. In onze tijd hebben ze geprobeerd van Jezus een soort Indiase goeroe te maken – of een revolutionair leider. Maar wie was Hij nu eigenlijk?

Van de meeste historische figuren bezitten we slechts een zeer indirekte kennis. We kennen ze uit onze geschiedenisboeken op school. We komen zelden op het idee om te vragen waar de schrijver van zo’n leerboek zijn wetenschap vandaan haalt.

Maar die vraag kunnen we dan nu mooi stellen! Op welke bronnen gaan die leerboeken terug? In heel veel gevallen zal het antwoord waarschijnlijk zijn: op andere, dikkere leerboeken. En als we ten aanzien van die laatstgenoemden dezelfde vraag stellen, zullen we vroeger of later terechtkomen bij de historicus, die zelf de historische documenten heeft gelezen die er over de persoon in kwestie bestaan. Dat kunnen sagen zijn, biografieën, of niet meer dan een paar toevallige notities bij een veel latere schrijver. Die verschillende stukken informatie zal de historicus dan onderling afwegen, waarderen en interpreteren. Tot op zekere hoogte zal hij zijn eigen oordeelsvermogen gebruiken en zodoende kan dan ook een andere historicus tot andere resultaten komen. Aan de informatie in de leerboeken ligt dus een langdurig proces ten grondslag en die informatie is vaak niet zo vanzelfsprekend en onbetwistbaar als wij wel dachten.

Als voorbeeld kunnen we de filosoof Socrates nemen. Zelf heeft hij niets schriftelijk vastgelegd. Maar twee van zijn leerlingen Xenophon en Plato, hebben over hem geschreven en daarbij veel van zijn uitlatingen weergegeven. Nu verschilt echter het beeld dat de een van Socrates geeft enorm veel van dat van de ander. De Socrates van Xenophon is een tamelijk banaal burgermannetje zonder filosofische diepgang of originaliteit. De Socrates van Plato is een diepzinnig en oorspronkelijk denker. Welke Socrates is nu de echte? Professor Arne Naess zegt in zijn boek ‘De geschiedenis van de filosofie’: ‘Niet een van de vele uitspraken die de bronnen Socrates toeschrijven, kunnen wij met zekerheid als een direct citaat beschouwen.’ Maar dergelijke historische problemen kregen wij op school niet gepresenteerd. Wij hielden heel eenvoudig voor waar wat er in het leerboek stond.

Er is eigenlijk maar een persoon in de hele Oudheid tot wie de meeste mensen in ons land in een meer directe relatie staan. En dat is Jezus van Nazareth. In Zijn geval zijn we niet afhankelijk van historici en leerboeken, maar kunnen we de historische bronnen zelf lezen. We kunnen zelf historici zijn. De vier beIangrijkste bronnen voor wat betreft de persoon van Jezus vind je in het nieuwe testament: dat zijn de vier evangelieën. Bovendien zijn er hier en daar nog een paar notities te vinden bij Romeinse historici uit de oudheid en bij de tegenstanders van de Here Jezus, de farizeeërs. Het is wel interessant om te weten wat voor informatie die laatstgenoemden geven. Terwijl de evangelieën zeggen: Jezus deed wonderen door de kracht Gods, zeggen de farizeese bronnen: Jezus deed wonderen door toverij. Ze lijken dus te bevestigen dat de Here Jezus wonderen deed – dat hebben ook zijn tegenstanders niet willen ontkennen.

Laten we een eenvoudig verhaal voor ons nemen uit het oudste van de evangelieën, het Markusevangelie. Dat is opgeschreven omstreeks het jaar 60, dus 30 jaar na Jezus’ dood. De tijdsafstand tot het vertelde is dus even groot als die van ons tot de gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog. Toen Markus schreef waren er nog veel mensen in leven die de Here Jezus gezien en gehoord hadden, en die een aantal gebeurtenissen hadden meegemaakt waar de evangelist over schreef. Volgens informatie uit de vroege kerk was Markus de tolk en de begeleider van Petrus, en misschien is Petrus de ooggetuige geweest bij het verhaal dat we nu nader zullen bekijken.

‘En toen Hij weder te Kapernaüm gekomen was, hoorde men na enige dagen dat Hij thuis was. En velen kwamen bijeen, zodat zelfs de ruimte bij de deur hen niet kon bevatten, en Hij sprak het woord tot hen. En zij kwamen en brachten een verlamde tot Hem, die door vier mannen gedragen werd. En daar zij deze niet tot Hem konden brengen vanwege de schare, namen zij de dakbedekking weg boven de plaats, waar Hij was, en na het dak opengebroken te hebben, lieten zij de matras neder waarop de verlamde lag. En daar Jezus hun geloof zag, zeide Hij tot de verlamde: Kind, uw zonden worden vergeven. Nu waren daar enige van de schriftgeleerden gezeten en zij overlegden in hun harten: Wat spreekt deze aldus? Hij lastert God. Wie kan zonden vergeven dan God alleen? En Jezus doorzag terstond in zijn geest, dat zij aldus in zichzelf overlegden, en Hij zeide tot hen: Waarom overlegt gij deze dingen in uw harten? Wat is gemakkelijker, tot de verlamde te zeggen: Uw zonden worden vergeven, of te zeggen: Sta op, en neem uw matras op en wandel? Maar opdat gij moogt weten dat de Zoon des mensen macht heeft op aarde zonden te vergeven – zeide Hij tot de verlamde: Tot u zeg ik, sta op, neem uw matras op en ga naar huis. En hij stond op, nam terstond zijn matras op en ging voor aller oog naar buiten, zodat zij allen ontzet waren en God verheerlijkten, zeggende: Zoiets hebben wij nog nooit gezien!’ (Markus 2:1 – 12).

Het verhaal is precies zoals je zou verwachten dat het zou worden wanneer een ooggetuige het steeds weer opnieuw verteld had. Alle overbodige details zijn eruit en tegelijkertijd is het gebeuren zo duidelijk weergegeven dat we het gemakkelijk voor ons kunnen zien. Rationeel beschouwd valt er niet aan te twijfelen dat dit werkelijk gebeurd is – dat wordt zelfs door uiterst kritische onderzoekers toegegeven.

Wat bedoelt dit verhaal nu te zeggen? Twee dingen: de Here Jezus zei tegen een zieke man dat zijn zonden waren vergeven. En Hij maakte hem gezond. Wij vinden het laatste waarschijnlijk het meest opzienbarend. Maar het staat niet vast dat de toeschouwers in Kapernaum er net zo over dachten. Voor hen sprak het namelijk vanzelf dat alleen God een mens al zijn zonden kan vergeven. ‘Hij lastert God! Wie kan zonden vergeven dan God alleen?’ Ze beseften heel goed, dat Christus hier iets ongehoords deed: Hij nam de rol van God op Zich, hij handelde alsof hij God Zelf was.

En dat gebeurt niet alleen in dit verhaal. Christus deed het regelmatig. Dat wekte begrijpelijkerwijs verbijstering en verwondering. De religieuze leiders kozen al gauw positie: zij hielden Hem voor een aan grootheidswaanzin lijdende godslasteraar die tot overmaat van ramp nog het betreurenswaardige vermogen bezat de massa’s met zich mee te slepen. Hij diende uit de weg geruimd te worden.

Maar voor veel anderen, die er meer voor openstonden en die minder vastzaten in een systeem van dogma’s, was de beslissing moeilijker. Als het bij de Here Jezus alleen maar bij woorden was gebleven zou er nauwelijks iemand in Hem geloofd hebben. De afschuw van de Joden voor blasfemie zat te diep geworteld. Maar het bleef niet bij woorden. ‘Wat is gemakkelijker om te zeggen: Uw zonden worden vergeven, of: Sta op en neem uw matras op en wandel?’

Het laatste is het moeilijkste, want in dat geval kunnen we controleren of het alleen maar bluf was. Als iemand de macht bezit om de zonden van de man te vergeven dan bezit hij toch zeker ook de macht om hem te genezen? En dat laatste kunnen we controleren. Jezus genas de man.

Na een aantal van dergelijke gebeurtenissen begonnen de mensen zich in alle ernst af te vragen: Deze man spreekt alsof Hij God zelf is – en Hij handelt er ook naar. Zou het mogelijk zijn … dat Hij het ook werkelijk is?

Eigenlijk is dit eenvoudige verhaal bij Markus genoeg om te begrijpen dat de Here Jezus door zijn tijdgenoten werd beschouwd als een hoogst verontrustende persoon, verontrustend omdat Hij de mensen voor een verschrikkelijk moeilijke keuze stelde: ‘Wie zeggen jullie dat Ik ben?’ Dat moest wel een heel ingrijpend dilemma worden: of een godslasteraar met grootheidswaanzin – of Gods Zoon. De werkelijke, historische Jezus moet die vraag aan zijn toehoorders gesteld hebben, anders wordt alles wat er later gebeurde – in verband met zijn sterven en het ontstaan van het christendom – volslagen onbegrijpelijk.
Nu berichten de evangelieën dat sommige mensen in Hem gingen geloven: ‘Gij zijt de Messias, de Zoon van de levende God,’ zegt Petrus uit naam van alle discipelen.

Maar ook hun geloof viel in scherven toen de Here Jezus gekruisigd en begraven was. En als er verder niets meer was gebeurd, dan was er verder niets meer gebeurd. We zouden niet veel meer van de Here Jezus geweten hebben dan zijn naam. Dat is het grote probleem voor de historici die niet willen geloven dat de Here Jezus opstond uit de doden. Zonder de opstanding van de Here Jezus ontstaat er een historisch vacuum dat heel moeilijk op te vullen is.

Twijfel aan de opstanding is niet nieuw – dat spreekt vanzelf. De mensen uit de tijd van Jezus wisten net zo goed als wij dat doden in hun graf blijven. Ze worden niet meer levend. Toen de discipelen vertelden dat ze de Opgestane hadden gezien, samen met Hem hadden gegeten en met Hem gepraat, wisten ze heel goed dat ze zich blootstelden aan hoongelach en verdachtmakingen. Dat ze het desondanks toch vertelden was heel eenvoudig omdat ze het niet konden laten om de waarheid te vertellen. Ongelofelijk – ja, ongetwijfeld. Maar wel waar. Later zou blijken dat verscheidene van hen zonder aarzelen hun leven gaven voor deze boodschap. En toch kan bij ons de twijfel de kop opsteken, omdat wijzelf de Opgestane niet op die manier ontmoet hebben.

Jawel, maar de manier waarop is niet doorslaggevend. Ook jij kunt Hem ontmoeten. Hij leeft nog steeds, en je kunt Hem ontmoeten. Je vraagt hoe dat mogelijk is? Daar zullen we later het een en ander over zeggen – maar misschien stel je deze vraag wel omdat je in het diepst van je hart bang bent voor zo’n ontmoeting. Als je Hem ontmoet als de Opgestane die leeft, heb je geen geldig excuus meer om nog te twijfelen. Dan heb je je Heer ontmoet. Dan besef je dat de Here Jezus absoluut uniek is omdat Hij de enige is die een leeg graf heeft achtergelaten. Dat heeft Boeddha niet gedaan en Mohammed evenmin.

WAT IS DE CONCLUSIE?

Als christenen vragen we je niet om bij voorbaat bepaalde dingen over Jezus te aanvaarden. We vragen niet eens van je om de bijbel als geheel of gedeeltelijk te accepteren. We verzoeken je de bijbel te lezen. We vragen je om kennis te maken met de Here Jezus. Wij geloven namelijk dat de hoofdpersoon zelf tot jou kan spreken door datgene wat je leest. Van Hem overtuigd raak je alleen maar door Hem zelf te ontmoeten, je kunt jezelf er niet toe dwingen, en dat hoeft ook niet. We vragen je alleen de bijbel een eerlijke kans te geven. Dan zul je misschien de ervaring opdoen dat lemand laat merken dat Hij met je wil spreken. De geloofsbelijdenis noemt Hem Jezus Christus, waarachtig God en waarachtig mens.

DELEN
Vorig artikelverloren
Volgend artikelhet geheim van het kruis

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here